U bent hier

Arthur Merghelynck - Een romantische verzamelaar

Portret von Arthur Merghelynck, op 26-jarige leeftijd, door Edm. Von Have, 1879, Collectie Hotelmuseum Merghelynck.

 

 

Inleiding

 

 

Honderd jaar geleden overleed jonker Arthur Merghelynck (1853-1908). Hij laat ons twee musea na. Het Hotel-Museum Merghelynck in Ieper, het indrukwekkend voorvaderlijk huis dat Arthur transformeerde tot een zuiver voorbeeld van de stijlen van de tweede helft van de achttiende eeuw. In 1894 stelde hij het als museum open voor het publiek. En er is het Kasteel Beauvoorde in Wulveringem dat hij, na een grondige restauratie, in alles de geest van de zeventiende-eeuwse Vlaamse renaissance liet uitstralen. In de winter woonde Arthur Merghelynck in Ieper, in de zomer resideerde de jonker op zijn kasteel. Zo overspande hij de hele Westhoek.

 

De renovaties en het inrichten van hotel en kasteel getuigen van Arthurs passie voor het verleden. Merghelynck was gefascineerd door oudheidkunde en verzamelde inscripties, munten en penningen. Als onbezoldigd stadsarchivaris van zowel Veurne als Ieper spitte hij het verleden uit van vooraanstaande families die in de Westhoek hun wortels hadden. Merghelynck zocht houvast in de zekerheden van vroeger, te midden van de negentiende-eeuwse transformatie en modernisering van de samenleving. Hij was niet alleen. Vele tijdgenoten spraken negatief over de fin de siècle met de teloorgang van de burgerlijke waarden, de plattelandsvlucht naar de industriële centra, de arbeiders die vaak en gewelddadig op straat kwamen. Bij de burgerij groeide het besef dat tegenover de ‘gedegenereerde’ arbeidersmassa in de steden ook een zuiver, intact gebleven ‘volk’ bestond, dat men op het platteland ging zoeken. Dat verklaart het grote succes van de volkskunde en de opening van musea voor folklore, allemaal in dezelfde periode tijdens dewelke Merghelynck zijn verleden reconstrueerde.

 

Arthur Merghelynck leefde niet alleen in conflict met de eigen tijd maar ook met het stadsbestuur van Ieper. Hij verweet het te weinig zorgzaam om te springen met het erfgoed. Met de Ieperse hogere klasse klikte het evenmin. Was het omdat ze schande sprak over zijn huwelijk met Juliana Flyps, de dochter van een kleine landbouwer uit Langemark? Feit is dat iedereen het Hotel-Museum Merghelynck onaangekondigd mocht bezoeken, behalve de Ieperlingen die nederig een schriftelijke toelating moesten aanvragen. Ook de familie Merghelynck was niet opgezet met het huwelijk buiten haar stand en zij zou het geweten hebben.

 

In twee geheime testamenten liet de kinderloze Arthur het grootste deel van zijn bezittingen na aan de Belgische Staat, inclusief het Kasteel Beauvoorde en het Hotel-Museum Merghelynck. Alle handschriften en de meeste boeken schonk hij aan de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, die vandaag met het Fonds Merghelynck een goudmijn aan genealogische gegevens bezit. In 2003 droeg de Belgische Staat het legaat van Kasteel Beauvoorde over aan de Vlaamse Gemeenschap en de Stad Ieper heeft het Hotel-Museum Merghelynck in erfpacht. Laten we beide bezoeken en tegelijk binnenstappen in het verzamelde verleden van Arthur Merghelynck, een man met een missie.

 


Inhoud

 

  • De familie Merghelynck en leper

  • Kasteel Beauvoorde 

  • Het Hotel-Museum Merghelynck in leper

  • Het fonds Merghelynck in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel 

  • Een adellijke missie 

  • Praktisch 


 

De familie Merghelynck en Ieper

Besturen zit in het bloed 

 

 

Jonker Arthur Merghelynck werd op 9 maart 1853 geboren in Ieper. Hij was de zoon van Leopold Merghelynck, schepen van de stad, en Elisa Carton, dochter van een oud-burgemeester. Rechtstreekse voorvaders waren toen al lange tijd actief in het stadsbestuur of in verwante instellingen. De verankering van de familie Merghelynck in Ieper was, sinds zij er actief als lakenhandelaars in 1502 vanuit het Noord-Franse Saint-Georges (tussen Bourbourg en Duinkerke) ingeweken waren, met elke generatie sterker geworden. 

 

Vanaf het einde van de zeventiende eeuw treft men de Merghelyncks aan als raadslid, schepen of schatbewaarder van de stad. Ook bestuursfuncties of een voorzitterschap van weeskamer, hospitalen, godshuizen, het Bureel van Weldadigheid of de stedelijke academie namen zij op. Hun huwelijkspartners kwamen keer op keer uit hetzelfde midden van vooraanstaanden uit leper of de omgeving. Veel van hun functies oefenden zij dan ook uit in opvolging van ouders, ooms, schoonvaders of andere verwanten.  

 

 

DE WORTELS VAN ARTHUR MERGHELYNCK 

 

In 1773 bereikte de sociale opgang een hoogtepunt. Toen verhief keizerin Maria Theresia François Merghelynck, erfachtig schatbewaarder van Ieper en hoogbaljuw van stad en graafschap Mesen, in de adelstand. Allicht was dit de aanleiding om een jaar later drie huizen in een zijstraat van de Rijselsestraat aan te kopen en te vervangen door een indrukwekkende herenwoning (nu HotelMuseum Merghelynck). Zijn zoon Clement, volgens de familietraditie onder meer actief in de Ieperse liefdadigheidsinstellingen, was Arthurs grootvader. Twee zoons van Clement Merghelynck huwden met zussen van de Ieperse jonker Henri Carton. De oudste, Ernest, was provincieraadslid en bestendig afgevaardigde voor de provincie West-Vlaanderen. De jongste, Leopold, was de vader van Arthur. Verder had Clement nog een zoon, Arthur, de voorzitter van de Burgerlijke Godshuizen. Zijn bestuur was voor deze instelling zeer voorspoedig; hij zou ze ook een grote som geld nalaten. Daarnaast was hij directeur van de stedelijke Academie, waar hij zelf ooit lessen in de architectuur gevolgd had. 

 

Arthur Merghelyncks vader, Leopold, had de humaniora te Ieper gevolgd en enige tijd aan de universiteit gestudeerd. In 1861 werd hij gemeenteraadslid en in 1862 schepen van de stad. Vanaf 1856 was hij bestuurslid en later voorzitter van de bestuurscommissie van het Koninklijk Gesticht te Mesen. Hij overleed vrij jong als schepen in functie op 47-jarige leeftijd. Ook zijn vrouw, Elise Carton, overleed erg jong in 1871. Arthur was toen 18 jaar oud. 

 

Het echtpaar kreeg drie kinderen. Emmeline overleed al op 5-jarige leeftijd. Ferdinand (1845-1917) studeerde af als doctor in de rechten en in de politieke en administratieve wetenschappen, was een tijd advocaat te Brussel en vanaf 1876 tot 1915 (zoals zijn oom Ernest) provincieraadslid van WestVlaanderen. In 1879 werd hij arrondissementscommissaris van Ieper. Geheel in de familietraditie was hij bestuurslid van de Burgerlijke Godshuizen te Ieper en van het Koninklijk Gesticht te Mesen. Hij woonde op Sint-Jan in het gehucht de Potijze, in een kasteel dat in 1842 ook al voor zijn oom Ernest gebouwd was. 

 

Afstammelingen van Ferdinand wonen in het Brusselse. Eén van de laatste naamdragers was Elisabeth, die in 1953 het kind van haar oudere zus Antoinette, graaf Alain de Borchgrave d'Altena, adopteerde. De naam Merghelynck werd toen aan zijn familienaam toegevoegd, zodat die niet zou verdwijnen. Hij huwde later Béatrice van der Linden d'Hoogvorst en heeft vier dochters de Borchgrave d'Altena Merghelynck. 

 

 

EEN RIJK LEVEN 

 

Ferdinands acht jaar jongere broer Arthur koos een geheel andere loopbaan. Op 18-jarige leeftijd kwam hij met de genealogie in aanraking en dat groeide uit tot een grote passie, gedoubleerd met een al even grote roeping als oudheidkundige. Als gefortuneerd man - hij behoorde tot de rijkste inwoners van de arrondissementen Veurne-Diksmuide - had hij geen beroepsinkomsten nodig om te leven en kon hij zich helemaal aan zijn passies wijden. Zo kocht hij in 1875 het vervallen Kasteel Beauvoorde te Wulveringem, dat hij meteen restaureerde en uitbreidde. Hij stoffeerde het als een zeventiende-eeuwse woning, waar hij vooral 's zomers als een echte landjonker verbleef. Hij kon ook het voorvaderlijke hOtel te Ieper verwerven en besloot meteen het in te richten als een museum van achttiende-eeuwse architectuur en woninginrichting. In 1900-1901 publiceerde hij bijzonder degelijke studies over beide woningen. 

 

De eerste publicaties van Arthur Merghelynck (enkele artikelen) dateren uit 1873, een eerste boek met diverse genealogieën uit 1877. Intussen verzamelde hij handschriften, kopieerde of liet hij afschriften maken van allerlei stukken van vooral genealogisch belang. Zowel in Veurne (vanaf 1888) als in Ieper (vanaf 1892) was hij onbezoldigd archivaris tot in 1897. Die periode gebruikte hij vooral om zijn nota's verder aan te vullen. In 1896-1897 publiceerde hij een inventaris van zijn handschriften, die nu, door de vernielingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, voor de genealogie en het historisch onderzoek van het vroegere graafschap Vlaanderen in het algemeen en de Westhoek in het bijzonder van buitengewoon belang zijn. 

 

In 1879 betrok Arthur Merghelynck het Kasteel Beau voorde. Hetzelfde jaar werd hij in Wulveringem lid van het Armbestuur en voorzitter van de kerkfabriek. Bij de eerstvolgende verkiezingen, in 1881, werd hij gemeenteraadslid, en toen de gemeente wat later onbestuurbaar dreigde te worden, versloeg hij in 1884 de aftredende burgemeester en lokale notaris Cornille, om daarna zelf de burgervader van Wulveringem te worden. Hij bleef dit tot in 1903, toen hij omwille van nog onduidelijke meningsverschillen met politici van Veurne en Wulveringem en door toenemende problemen met zijn zicht, niet meer aan de verkiezingen deelnam, maar zich wel weer tot lid van het Bureel van Weldadigheid van Wulveringem liet benoemen. Na Merghelyncks aftreden als burgemeester nam zijn vroegere eerste schepen Pieter Huyghe dat ambt op. De twee moeten woorden hebben gehad want het duurde maanden voordat de gemeenteraad tegen de nieuwe burgemeester in kon doorduwen de jonker een dankbrief te sturen. En opmerkelijk: het antwoord van Merghelynck is uitdrukkelijk gericht aan de schepenen en gemeenteraadsleden, zonder een woord over zijn opvolger. 

 

Ook met Ieper had Arthur Merghelynck meningsverschillen. Zo liet hij maar met enige reserve Ieperlingen in zijn Hotel-Museum toe. Als lid van de commissie voor monumenten verweet hij de bestuurders te weinig zorg te dragen voor hun erfgoed. Enkele erg polemische geschriften tegen burgemeester, senator en baron Surmont de Volsberghe, die hij openlijk publiceerde, dateren uit de periode 1897-1898. Ook met Vandenpeereboom, een ander monument van de Ieperse geschiedschrijving, kon hij niet overweg. Hij verweet hem onder meer de grote oplage van zijn werken, wat de bibliofiel Merghelynck tegen de borst stootte. Zelf werkte hij liefst met oplagen van hooguit tweehonderd stuks. 

 

Merghelynck was politiek katholiek (klerikaal) geïnspireerd. Dit speelde allicht ook mee in zijn problemen met het Ieperse stadsbestuur, waar in 1890 de liberalen een verkiezingsoverwinning vierden. Ook Arthurs broer Ferdinand koos resoluut voor de liberale partij. Wellicht is dit één van de redenen voor de breuk met zijn familie. En die was totaal. Het is duidelijk dat Arthur in zijn testament zijn enige familie, Ferdinand en diens erfgenamen, uitdrukkelijk uit alle nalatenschap wou schrappen. Omdat hij wist dat zijn broer een fervent jager was, stipuleerde hij in zijn testament van 2 februari 1905 dat het jachtrecht op de eigendommen, die hij aan anderen naliet, niet aan zijn verwanten toegekend mocht worden. Meer nog, toen hij op 12 februari een codicil toevoegde, versterkte Arthur dit nog door toe te voegen dat ook op indirecte wijze zijn familie er nooit het jachtrecht mocht uitoefenen. Hij wilde er echt zeker van zijn dat zijn familie op geen enkele manier van zijn erfenis zou genieten. 

 

Zeker even belangrijk voor de breuk met zijn familie was zijn huwelijk uit 1895. Op 42-jarige leeftijd huwde Arthur Merghelynck de 29-jarige Juliana Flyps, dochter van een kleine landbouwer uit Langemark. Dit huwelijk buiten zijn stand, dat kinderloos bleef, nam zijn familie en de Ieperse upper class hem niet in dank af. Over deze aangelegenheid citeert Merghelynck uit een studie van graaf P. A. du Chastel de la Howarderie, een vriend die hij tot getuige van zijn huwelijk nam: "L'idée de mésalliance, ce préjugé ridicule [ ... ] Puisse-t-elle disparaître pour roujours ! " 

 

En dan is het bijna grappig om vast te stellen dat Merghelynck zijn echtgenote, die te Langemark als Flyps geboren werd, steeds aanduidt met "Philips, dite Flyps", omdat de parochieregisters dit in het Ancien Régime zo schreven. Als genealoog wist hij best dat de schrijfwijze in die periode alles behalve consequent was. En als burgemeester besefte hij beslist dat alleen de schrijfwijze uit de geboorteakte er officieel toe deed. Maar 'Philips' was toch iets chiquer dan 'Flyps'. 

 

Arthur Merghelynck overleed op 14 juli 1908, nauwelijks 55 jaar oud. Hij werd volgens zijn wil opgebaard in leper en begraven in Wulveringem. Zijn echtgenote bleef douairière van Beauvoorde tot haar dood in 1941. Haar neef Leon Flyps, die bij haar op het kasteel kwam wonen, werd in 1935 burgemeester van Wulveringem.

 

Pieter Donche en Jan Van Acker  

 


 

Kasteel Beauvoorde

De charme van de oude stempel 

 

 

Kasteel Beauvoorde heeft een rijke voorgeschiedenis. Topografisch onderzoek leidt naar de eerste helft van de twaalfde eeuw. Toen was er al sprake van een motte of neerhofstructuur. De bouw- en verbouwingsgeschiedenis van het kasteel hangt nauw samen met de bewoners. Uiteindelijk bezorgde Arthur Merghelynck het zijn huidige 'pittoreske' uitstraling: een gebouw in Vlaamse neorenaissance stijl, met neogotische elementen en een eclectisch zeventiende-eeuws interieur. 

 

"C'était en 1874, par une magnifique journée de Septembre, que désireux de visiter les jolies communes de Furnambacht, nous partîmes d'Ypres de bon matin, en compagnie de notre fidèle ami feu Monsieur Désiré Böhm, installés dans une modeste, mais bien pratique carriole," zo begint Arthur Merghelynck zijn relaas over de aankoop en restauratie van Kasteel Beauvoorde. Het lijkt wel de eerste pagina uit een roman. Die pittoreske sfeer straalt uit het lijvige boek dat Merghelynck in 1900-1901 publiceerde over 'zijn' kasteel: Le fief-manoir dit 'Ie Château de Beauvoorde' à Wulveringhem (1408-1900). De ondertitel suggereert echter meer dan een nostalgisch dagboekrelaas. Merghelynck, minutieus onderzoeker als hij was, ging niet alleen voor een historische studie maar koppelde er ook een archeologisch en genealogisch luik aan vast. Het resultaat was goed voor een tweedelige turf van meer dan negenhonderd bladzijden. 

 

De koetstocht brengt beide heren langs Elverdinge, Woesten, Oost-Vleteren, Hoogstade, Gijverinkhove en Izenberge, dorpjes die anno 2008 nog altijd de N8 leper-Veurne markeren. Omstreeks de middag arriveert het gezelschap ïn een plaatsje dat charmeert vanwege zijn 'cachet ancien'. Het blijkt Wulveringem te zijn. Merghelynck bezoekt de kerk en als hij buitenkomt, wordt zijn aandacht getrokken door een gebouw, versierd met een slanke toren en omringd door een brede gracht. "Nous étions devant Ie cháteau de Beauvoorde ... " 

 

Merghelynck trekt zijn stoute schoenen aan en vraagt of hij de manoir mag bezoeken. Het interieur en dan vooral de indrukwekkende schouw in de 'grote zaal', kan hem meteen bekoren. Ondanks de deplorabele staat waarin het gebouw zich op dat moment bevindt, ziet Merghelynck de kwaliteiten ervan in. Hij gaat over tot actie. Een jaar na die veeleer toevallige ontdekking wordt de verkoopakte getekend. Arrhur Merghelynck start een bouwcampagne die meer dan een kwarteeuw in beslag zal nemen. Het Kasteel Beauvoorde wordt zijn zomerresidentie.  

 

 

DE VOORGESCHIEDENIS 

 

Intussen graaft Merghelynck in de geschiedenis van het kasteel. Zijn onderzoekswerk is vandaag een belangrijke bron van informatie. Merghelynck gaat ervan uit dat de site in 703 al bewoond was door Wulfrid. Hij was de stichter van de 'paroisse' en wie een parochie opricht, doet dat in de directe omgeving van zijn woonst. Die logica sterkt de thesis van Merghelynck, "jusqu'à preuve du contraire", zo stelt hij. Historici na hem hebben die thesis toch in vraag gesteld. De vroegste bewoning werd verschoven naar het begin van de twaalfde eeuw. Dan doken namen op als Heribert van Wulveringhem. Hij zou als plaatselijk heer de site hebben betrokken. 

 

Over een zaak zijn Merghelynck en zijn collega's het wel eens: de eerste schriftelijke vermelding van het kasteel dateert uit 1408. In dat jaar promoveerde hertog Jan zonder Vrees dit goed tot een leengoed. De kasteelheer van toen, Jan de Valuwe, vermeldt zijn 'stede' in de bevestiging. De woonst is gesitueerd ten noorden van de kerk. Na hem worden de families Crucerneet en de Crane ook even eigenaar van de site. Een document dat dateert uit 1503 omschrijft het kasteel als "eene behuusde hofstede met upperhove ende nederhave benoorden an t' kerkckhof". 

 

Pieter van den Bampoele koopt het domein in 1549. Het is voor zijn dochter Margareta. Zij trouwt met Antoon de Bryarde in 1573. Hij introduceert de naam 'Beauvoorde', naar analogie met een landgoed dat de familie bezat in Watou-Steenvoorde, het grensgebied met Noord-Frankrijk. Het kasteel zal maar liefst tweehonderdvijftig jaar in het bezit blijven van het geslacht de Bryarde. Antoon de Bryarde wordt landhouder in Veurne, een van de hoogste functies in de magistratuur. In 1582 vlucht hij met zijn gezin naar Gravetines (Grevelingen) en laat het kasteel onbeheerd achter. Twee jaar later keert de Bryarde terug en treft er een afgebrand landgoed aan. De goederen zijn vernield door de geuzen. 

 

De Bryarde sterft in het jaar van zijn terugkeer. Hij wordt begraven in het familiegraf van Van den Bampoele. De grafzerk is vandaag nog steeds aanwezig in de kerk van Wulveringem. Kasteel en kerk zijn in dit dorp niet alleen fysisch met elkaar verbonden. Traditiegetrouw had de kasteelheer ook een nauwe band met de kerk en de parochie. De goede relaties werden bekrachtigd met schenkingen. Zo schonk Karel de Bryarde het barokke altaar, terwijl de doopvont geschonken werd door de weduwe van Pieter de Bryarde en haar tweede echtgenoot François Donche. Arthur Merghelynck bekostigde de restauratie van Van den Bampoeles grafsteen. Merghelynck zelf ligt begraven op het kerkhof, tegen de muur van de 'Kasteelkapel'. Vanuit de bibliotheek van het kasteel heb je een bijna frontaal zicht op zijn graf. 

 

Margareta van den Bampoele, weduwe van Antoon de Bryarde laat in 1591 de zuidwestelijke vleugel van het kasteel herstellen. Het bouwwerk ziet er op dat ogenblik uit als een combinatie van een vierkantige woontoren, gekoppeld aan een rechthoekige blokconstructie. Vandaag verwijzen lichtspleten in de keldermuren van de noordelijke en de zuidwestelijke vleugel naar die oudste bebouwing. Muurankers in de zuidelijke gevel zouden verwijzen naar de datum 1591. 

 

Van de vijf kinderen die Margareta ter wereld brengt op het domein Beau voorde, sterven er drie aan 'contagion', m.a.w. besmetting. Zoon Jacques blijft wel in leven. Hij is zes jaar oud als zijn vader sterft. De zoon krijgt een gedegen opleiding en vertrekt op militaire missies naar Spanje en Italië. Bij zijn terugkeer trouwt hij met Alexandrine de Hertoghe, dochter van de hoogbaljuw van Veurne. Het koppel neemt zijn intrek in het kasteel. Jacques de Bryarde manifesteert zich als een echte bouwheer. Het kasteel wordt een van de "schoonste huysen van de casselrie" en krijgt officieel de naam "Chàteau de Beauvoorde - 't Kasteel van Beauvoorde". 

 

Jacques en Alexandrine krijgen tien kinderen, allemaal geboren op het kasteel. De gezinsuitbreiding wordt gekoppeld aan een bouwcampagne. Er verrijzen maar liefst drie nieuwe vleugels en een traptoren, voorzien van een belvedère. Intussen klimt de Bryarde ook verder op in de magistratuur. Hij bekleedt een aantal jaren de functie van burgemeester-landbouwer van Veurne en wordt uiteindelijk hoogbaljuw. In 1618 wordt hij geridderd. Jacques de Bryarde sterft in 1652. Hij en zijn echtgenote liggen eveneens begraven in de kerk van Wulveringem. Ook deze grafsteen liet Merghelynck restaureren.  

 

De hoogdagen van het kasteel lijken voorbij. De nazaten van de Bryarde vertoeven liever in Gent dan in Veurne-Ambacht. Het landgoed beschouwen ze als een 'maison de plaisance', een zomerverblijf. Vanaf halfweg de achttiende eeuw komt het kasteel in handen van diverse families, erfelijk nog enigszins verbonden met de Bryarde. De draad wordt in 1835 definitief doorgeknipt. Landbouwer Pierre-Jacques Caloone koopt het goed in 1838 voor dertigduizend francs. Hij woont er negen jaar en voert enkele noodzakelijke herstellingswerken uit. Na zijn dood wordt het kasteel opnieuw verkocht. Landbouwers Ceulenaere en Moeneclaey richten het gebouw in als woonkazerne. Verschillende gezinnen van belastingontvangers nemen er vanaf 1863 hun intrek. 

 

 

EEN ROMANTISCH KASTEEL 

 

Elf jaar later laat Arthur Merghelynck zijn oog vallen op het kasteel. Op 3 april van het jaar 1876 start hij de restauratiewerken. Op het einde van de zomer zijn daken en muren al onder handen genomen. Merghelynck engageert de Veurnse stadsarchitect Jozef Vinck om de plannen te tekenen voor de binnenkoer, het koetshuis en het huis voor de tuinman. Architect Heynincx, stadsarchitect van Ieper, staat in voor de eigenlijke uitbreidingswerken aan het kasteel. De Gentse tuinarchitect Pynaert-Van Geert ontwerpt de plannen voor het kasteelpark. Hij combineert het landschappelijke en pittoreske van de Engelse parken met de geometrie van de Franse tuinen. 

 

In mei 1879 starten de grote werken aan het kasteel: heropbouw van de zuidoostelijke trapgevel, gevolgd door een nieuw blok, ter vervanging van de afgebroken oostelijke vleugel. In de gevel wordt de fictieve datum 1607 aangebracht, een spielerei die ook in het interieur van het kasteel is doorgevoerd. Arthur Merghelynck wil immers de reconstructie van het kasteel in zijn oude glorie. De elegantie en het pittoreske karakter staan centraal. Het uiteindelijke resultaat is een 'romantisch kasteel' dat Vlaamse neorenaissance verenigt met neogotiek. Merghelynck geeft wel toe aan het negentiendeeeuwse wooncomfort. Het kasteel moet immers ook aangenaam zijn om er te wonen. Op de binnenkoer laat hij een sanitair blok plaatsen, met toilet en badinstallatie. De werken worden in 1902 afgerond met de bouw van een neogotische kapel. Daarmee voegt de kasteelheer nog een nieuw element toe aan het kasteel. De kapel wordt niet ingewijd, maar fungeert als decor voor Merghelyncks religieuze collectie. 

 

Merghelynck kiest bij de inrichting van het interieur voor een doorgedreven stijleenheid. Hij grijpt terug naar een nostalgisch verleden en strandt bij de zeventiende eeuw. In die optiek verzamelt hij niet alleen meubilair, maar ook schilderijen en andere decoratiestukken uit die periode. Wat hij niet vindt, vult hij aan met pastiches. Hij laat zich professioneel bijstaan door Désiré Böhm, 'artiste-peintre' uit leper en gespecialiseerd in de restauratie van zeventiende- en achttiende-eeuwse meubels en voorwerpen. De huistimmerman is Pierre Ryssen, inwoner van Wulveringem. Als negentiende-eeuws vakman krijgt hij de opdracht om - waar nodig - het schrijnwerk een zeventiende-eeuwse look te geven. Merghelynck is zeer tevreden over het resultaat, want de man krijgt een speciale voetnootvermelding in zijn boek! 

 

Al in 1881 nodigt de kasteelheer gasten uit op zijn zomerresidentie. In de kasteelstudie vermeldt Merghelynck onder meer de ontvangst van de Brugse bisschoppen Faict en Waffelaert en van de Prince de Croy, een luitenant die gekazerneerd was in Ieper. Schilder en filosoof Gustave Cappieters verblijft een tijdlang op het kasteel. In zijn briefwisseling aan beeldhouwer Paul De Vigne maakt hij gewag van de mooie omgeving waarin hij mag vertoeven: "Ce château n'est pas à moi, sinon je t'inviterais à une partie de plaisir à la Edgard Poe." 

 

In datzelfde jaar 1881 verschijnt het eerste artikel over het kasteel in het historische tijdschrift La Flandre. Zeven jaar later wordt Kasteel Beauvoorde opgenomen in de eerste toeristische kustgids, De Dunkerque à Dombourg. Guide descriptif illustré de la cóte de Flandre et des plages de la mer du Nord. Auteur Jean d'Ardenne heeft het over een "construction pittoresque" en roemt Merghelynck voor zijn 'intelligente restauratie'. Hij vermeldt enkele opvallende collectiestukken zoals de schouw in arduinsteen met signatuur Jéröme Stalpaert en schilderijen van Pourbus, Van Oost, Rombout en Dereyn. 

 

 

BEAUVOORDE IS EEN MUSEUM 

 

Niet zonder enige trots neemt Merghelynck in zijn kasteelhistoriek de integrale rondleiding over van Médard Verkest. De leraar-letterkundige schreef in 1896 een artikel voor de Vlaamsche School waarin hij de lezer meeneemt op ontdekkingstocht doorheen het kasteel. Ook hij wijst op "eenige flink geborstelde portretten", van Jacob van Oost den Oude, Fr. Pourbus den Jonge, Gysbrechts en Karel van Ipre. Verkest heeft oog voor de houten muurbekleding, "een koppel puike ladenkasten", "een prachtig oud bed" in de kleine slaapkamer, ... De 'groote zaal' beschouwt hij als het pronkjuweel van Beauvoorde. De conclusie van Médard Verkest: "Beauvoorde is een museum". 

 

Het artikel van Médard Verkest is belangrijk bronnenmateriaal. Hij verwijst immers naar de herkomst van een aantal collectiestukken. Zo wist Merghelynck via zijn contacten dat het kasteel van Zuutpeene (Westvleteren) zou gesloopt worden. Hij kocht een houten lambrisering op en een schoorsteenfries met episoden uit het leven van Jezus en Maria. De kabinetkast met schildpadmotieven haalde hij uit het kasteel van Zwevezele. Die verwijzingen zijn belangrijk, want over de herkomst van vele collectiestukken is tot op vandaag weinig geweten. Arthur Merghelynck zal het wel hebben bijgehouden in een of ander schrift, maar dit archiefstuk heeft wellicht de Eerste Wereldoorlog niet overleefd. De beschrijving van Verkest leert ons ook iets over de exacte locatie van bepaalde collectiestukken. Zo stond er in de grote zaal op de eerste verdieping een oude doopvont. Dit stuk werd in 1979 teruggeschonken aan de kerk van Wulveringem. 

 

In 1909 maakt notaris Vermast een boedelbeschrijving op, maar dit document is onvindbaar. Er volgt een nieuwe inventarisatie, in 1926 en in aanwezigheid van douairière Merghelynck. In dit document worden 350 voorwerpen beschreven. In 1949 volgt een nieuwe beschrijving. Het aantal collectiestukken wordt gereduceerd tot 315. "De waardeloze dingen werden niet meer geteld en verwezen naar de zolder van het kasteel," aldus professor Muis in de publicatie Kasteel Beauvoorde (1953). Op een volgende boedelbeschrijving is het wachten tot 1963. De inventaris wordt dan uitgebreid tot 608 stuks. Er zijn geen stukken bijgekomen, maar de expertise is gedetailleerder. Een nieuwe inventaris zal de collectie wellicht nog uitgebreider maken. Wat in 1949 werd beschouwd als 'waardeloze dingen', maakt nu opnieuw deel uit van deze verzamelaarscollectie. Deelverzamelingen (zoals de boeken uit de bibliotheek) zijn ook niet vermeld in de inventaris van 1963. Arthur Merghelynck sterft in 1908. Zijn echtgenote Julienne Flyps heeft het vruchtgebruik van het kasteel en blijft er wonen tot haar dood in 1941. De Koninklijke Vlaamse Academie stelt haar neef Leon Flyps aan als beheerder. 

 

Hij wordt van het domein verbannen door de Duitse bezetter. Die neemt zijn intrek in het kasteel. In de kelders breken de militairen enkele muren uit, zodat ze er een elektriciteitsmotor kunnen plaatsen. In de keuken wordt een fotolab ingericht. Op dat moment was de collectie al in veiligheid gebracht in enkele huizen van het dorp. Na de bevrijding keert de collectie (grotendeels) terug en naar wens van Merghelynck wordt Kasteel Beauvoorde eindelijk als museum opengesteld. 

 

De Vlaamse Academie voert bij de museale opstelling wel een aantal veranderingen door. Men kiest voor een thematische opstelling: keukengerei in de keuken, religieuze voorwerpen in de kapel. .. Twee slaapkamers worden gesupprimeerd en opnieuw ingericht als museumruimtes met schilderijen, porselein, kasten, scribans en kleinere collectiestukken. Ondanks die museale aanpassingen blijft Kasteel Beauvoorde overeind als huismuseum. Bezoekers hebben nog steeds het gevoel dat het kasteel 'bewoond' is en dat was uiteindelijk de betrachting van Merghelynck. 

 

 

EÉN UNIEK VERHAAL

 

Hoe moet de collectie vandaag worden ingeschat? In haar totaliteit is het een typische verzamelaarscollectie. Merghelynck beschouwde zichzelf als een oudheidkundige. Hij maakte er een erezaak van om die zeventiende-eeuwse stijleenheid overal door te voeren. Het resultaat is enerzijds eclectisch. Alleen het beste was goed genoeg. Dat resulteerde in de aankoop van topstukken als een Antwerps cantoor (eerste helft zeventiende eeuw), twee Hollandse kussenkasten (1680) en Spaanse stoelen (1626). Daarnaast was er ook de pastiche. De stijlnabootsing is overal aanwezig. Zo kocht Merghelynck voor de ridderzaal ('de grote zaal') een houten lambrisering op van de abdijkerk van Oudenburg (1656). De puzzel paste niet volledig. Huistimmerman Ryssen zorgde voor perfect nagebootste aanvullingen. Alleen aan het kleurverschil in het eikenhout kan je zien wat oorspronkelijk zeventiende-eeuws is en wat een negentiende-eeuwse aanvulling is. 

 

Ook bij de aankoop van schilderijen ging Merghelynck uit van de sfeerschepping die hij wou bereiken. Voor zijn 'ahnengalerie' zocht Merghelynck portretten van edellieden en hoogwaardigheidsbekleders, veelal afkomstig uit de Ieperse regio. Memorieschilderijen, allegorische werken, schilderijen met religieuze onderwerpen en panelen met gildeblazoenen maken de collectie compleet. Professor Muis noemt de meer dan vijftig werken 'de moeite niet waard, op enkele uitzonderingen na'. De portretten van Jacobus Tax en Elisabeth van Parijs (1616) vindt hij wel vermeldenswaard. Ze worden toegeschreven aan Frans Pourbus de Jongere.  

 

Professor Muis heeft het louter over de intrinsieke kwaliteiten van de schilderijen. Vele werken zijn tot op vandaag niet toegeschreven. In 2003 bracht kunsthistoricus Johan Termate de schilderijen in kaart. Voor hem heeft de collectie hoe dan ook een hoog documentair gehalte. Ze geven immers een stukje geschiedenis van de streek weer. Bovendien zeggen ze ook veel over de onderzoeksmethodiek van Merghelynck. Zo kocht hij in 1904 op een veiling een memorieschilderij van de familie Van den Berghe. Hij vroeg iemand om de gegevens van het schilderij te checken, betaalde hiervoor 2,5 frank en plakte de conclusies van het archiefonderzoek op de achterkant van het paneel. Hij illustreerde het geheel met een krantenartikel, een oud veilingnummer en een uittreksel uit het archiefhandschrift. Ook op de keerzijde van een anoniem portret van Jaquemine Gheeraert (1578) bracht Merghelynck een genealogische nota aan.  

 

Naast schilderijen en meubilair voorzag Merghelynck zijn zomerverblijf ook van het nodige 'huiselijke materiaal'. In elke schouw prijken steevast een bedpan, een haardplaat, vuurbokken, een blaasbalg, vuurschop en vuurtang. De stijlkamers werden ook gestoffeerd met wijwatervaatjes, vijzels, kruiken, kandelaren, borden en sculpturen. Over enkele bijzondere collectiestukken geeft Merghelynck zelf de nodige uitleg in zijn kasteelstudie. Zo is er de grafsteen van de edelman de Velare en zijn echtgenote de Ie Vichte (1626). "Nous avons acquis, en 1879, cette pierre (fortement usée) qui était jetée sur Ie cimetière de la commune de Zantvoorde-les-Ypres et l'avons ainsi sauvée de la destruction", aldus de auteur. Het belang van de grafsteen wordt nog eens onderstreept door de vermelding ervan in de Flandria Illustrata van Sanderus. 

 

Het zijn zulke voetnoten die de collectie van Kasteel Beauvoorde optillen tot een hoger niveau. Niet de intrinsieke waarde van elk stuk apart is bepalend, wel het geheel. Het geheel maakt immers deel uit van een uniek verhaal, dat van Kasteel Beauvoorde, geschreven en uitgevoerd door Arthur Merghelynck.

 

Annemie Morisse

 


 

Het Hotel Merghelynck in Ieper

Een museum als een huis 

 

 

François Merghelynck wordt in Ieper geboren op 20 oktober 1744. Op 19 maart 1767 huwt hij Amélie Strabant, dochter van de burgemeester van Veurne. Nadat François op 8 januari 1773 door keizerin Maria Theresia in de adelstand is verheven, wil hij zich een groot huis laten bouwen dat past bij zijn maatschappelijke positie. Op 5 maart 1774 koopt hij een kledij- en stoffenwinkel en het aanpalende huisje op de hoek van de Rijselsestraat en de Oude Kleermarkt. 

 

Een maand later verwerft hij een derde aanpalend huisje, eveneens gelegen aan de Oude Kleermarkt. Jonkheer Merghelynck zet vaart achter zijn plannen: de afbraakwerken beginnen al in mei 1774. Om zijn droom te realiseren kiest François een beroemde architect: Thomas Gomhert (°1725, Rijsel). In 1773 ontwierp Gomhert voor Jacques Auvray de la Tour een prachtig herenhuis op de hoek van de G. de Stuersstraat en de Sint-Niklaasstraat in leper. Ongetwijfeld wil de kersverse edelman François Merghelynck zijn stadsgenoot naar de kroon steken en een nog mooier huis laten bouwen. 

 

Voor het ontwerpen van het Hotel Merghelynck ontvangt Gomhert 120 pond. In anderhalf jaar tijd wordt het indrukwekkende herenhuis gebouwd. Voor de gevel en de binnenmuren bestelt Merghelynck niet minder dan 367.350 Nieuwpoortse bakstenen en 50.000 schaliën voor het dak. Verder telt het huis 1.400 vensterruiten. Ieperse kunstenaars en ambachtlui werken eraan mee, zoals de beeldhouwers Martin Maerten en Jacques Beernaert en metselaar Joseph Roffiaen. Het prachtige smeedwerk is van de bekend Ieperse smid Coenraet Swaeghers. De Rijselse architect Fidèle Lutun ontwerpt het fronton boven de ingang. M. Jonniau, eveneens uit Rijsel, levert de marmeren schoorsteenmantels. 

 

François Merghelynck betrekt het huis op 10 oktober 1775. Drie maanden later, op 8 januari 1776, wordt hun vijfde kind Clément er geboren. Mevrouw Merghelynck overlijdt op 24 januari 1787, 42 jaar oud. Acht jaar later sterft haar man op 11 februari 1795. Zijn oudste zoon François Louis wordt eigenaar tot hij in 1834 kinderloos sterft. Het huis wordt verhuurd aan baron Philippe de Coenens voor drie jaar. In 1837 erft Ernest de Gheus, neef van François Louis Merghelynck het huis. Na zijn dood blijft zijn vrouw Eulalie Mazeman de Couthove er wonen tot in 1864. Het echtpaar was kinderloos maar uit een vorig huwelijk had Eulalie drie kinderen. Zij erven het huis en verkopen het in 1865 aan ridder Auguste Hynderick. Arthur Merghelynck, achterkleinzoon van de oorspronkelijke bouwheer koopt het familiebezit terug op 15 april 1892 en maakt er een museum van dat in 1894 de deuren opent. 

 

 

RECONSTRUCTIE VAN EEN RECONSTRUCTIE

 

Wanneer Arthur Merghelynck op 15 april 1892 het huis van zijn overgrootvader koopt, doet hij dat bewust met het oog op het inrichten van een museum gewijd aan de verfijnde levensstijl van de adel op het einde van de 18de eeuw. Het moet een Gesamtkunstwerk worden en dus moet er niet alleen gerestaureerd maar ook gedecoreerd worden. Aan de hand van talrijke familiestukken, maar vooral met voorwerpen die hij her en der opkoopt, richt hij het museum in als het perfecte, en dus imaginaire, achttiende-eeuwse herenhuis. De Grands Magasins du Louvre, de Bon Marché de Paris en de Grands Magasins du Printemps in Parijs hebben aan Arthur Merghelynck in 1892-93 een goede klant: hij koopt er tapijten, meubels en stoffen. Merghelynck plaatst bewust de meubelen en kunstwerken zó dat het huis bewoond lijkt. Naast 'kunstwerken' toont hij ook heel eenvoudige voorwerpen zoals bidets, keukengerei of de halsband van een hond. Daarmee is hij zijn tijd vooruit. Trots wijst hij erop dat hij zijn stijlkamers realiseerde lang voor het Parijse Musée Camavalet in 1898 gedeeltelijk tot een dergelijke opstelling overging. 

 

In 1894 al verschijnt het prachtige album Hotel Merghelynck à Ypres in een oplage van amper 75 exemplaren met dertig illustraties van de Ieperse fotograaf Hector Heylbroeck. In 1900 publiceert de trotse eigenaar een Monographie de l'Hotel-Musée Merghelynck. De genealoog en amateur-historicus Merghelynck doet zijn werk grondig en spit de historiek van het huis en zijn bewoners uit tot 1300. 

 

Als onderdeel van een uitgedokterde marketingstrategie stuurt hij exemplaren van zijn gids naar allerlei journalisten of historische verenigingen (waaronder bijvoorbeeld Kar! Baedeker in Leipzig, uitgever van zeer populaire reisgidsen). Diverse binnenlandse en buitenlandse tijdschriften publiceren lovende recensies en de bezoekers stromen toe. Zo vermeldt een bewaard gebleven bezoekersregister (periode 1911-1915) naast talrijke toeristen uit België ook bezoekers uit Sint-Petersburg, München, Lyon, Kopenhagen of zelfs New York. In 1913 wordt een recordaantal van 1.500 bezoekers genoteerd. Wanneer in 1914 het oorlogsgeweld Ieper bereikt, beslist huisbewaarder Gustave Verhaeghe om enkele stukken over te brengen naar Langemark. 

 

Deze kostbare voorwerpen zullen nooit meer worden teruggevonden. Op 1 maart 1915 tekent 'interprête' Louis Lefebvre uit Parijs als laatste het bezoekersboek. Een dag later komt er een granaat terecht in het midden van de koer. "Het Merghelynck Museum ziet een collectie oud aardewerk tot kruimels gereduceerd worden," zo schrijft pastoor Delaere in zijn dagboek. Er wordt nu werk gemaakt van de evacuatie van wat overblijft van de collectie: eerst naar Poperinge, dan naar Le Havre en vervolgens naar Le Touquet. Ten slotte worden de meubels en kunstwerken tentoongesteld in een 'Salle flamande' in het Petit Palais in Parijs. Ondertussen wordt het hele museum in Ieper letterlijk met de grond gelijk gemaakt. 

 

Na de oorlog komt de in kisten ingepakte collectie eerst terecht in het Justitiepaleis in Brussel. Begin 1920 wordt ze overgebracht naar het Paleis der Academiën en in 1923 verhuist ze naar de kelders van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Tussen 1925 en 1936 wordt de collectie tentoongesteld in het Hotel Hoffman, daarna wordt ze opnieuw opgeborgen in de kelder van het Jubelparkmuseum. Pas in 1931 start de reconstructie van de ruwbouw onder leiding van Jean-Noël Cloquet. In juli 1933 is die voltooid. In 1936 wordt Cloquet vervangen door Paul Saintenoy. Maar de staat bevriest alle verdere kredieten. In 1937 wordt de vzw Les Amis de l'Hótel-Musée Merghelynck opgericht met als drie doelstellingen: de volledige restauratie van het museum, de conservatie van het gebouw en de collectie en de verrijking ervan en de promotie van Ieper als toeristisch centrum. 

 

De Tweede Wereldoorlog breekt uit en onmiddellijk worden alle werkzaamheden gestaakt. In 1950 wordt Charles Van Renynghe de Voxvrie conservator van het museum. Hij is belast met de reconstructie van het interieur. In 1951 keren het meubilair en de kunstvoorwerpen terug naar Ieper. De conservator staat voor een bijna onmogelijke opdracht: vele stukken zijn verloren, andere zijn onherroepelijk beschadigd. Een identieke reconstructie is onmogelijk. Van Renynghe zoekt jarenlang bij antiquairs in binnenen buitenland om hiaten in de verzameling te vullen. Uiteindelijk heropent het museum op 10 juni 1956 feestelijk zijn deuren, na 41 jaar gedwongen sluiting. Victor Tourneur geeft in zijn openingsrede een overzicht van de wederopbouw: "De inrichting ( ... ) is geen exacte kopie van wat Arthur Merghelynck had gedaan. Die oorspronkelijke inrichting was overvloedig en de stichter had het esthetische aspect een beetje veronachtzaamd. De reconstructie die M. Ch. van Renynghe heeft verwezenlijkt, getuigt van een superieure smaak. Ze geeft de bezoeker een juist idee van de rol die de Franse kunst van het einde van de 18de eeuw speelde in Vlaanderen, en meer bepaald in Ieper. Dat is wat Arthur Merghelynck aan het nageslacht wilde tonen." (Tablettes généalogiques, historiques, héraldiques des Flandres, VII, 1957, pp. 326-328).

 

Na meer dan 28 jaar dienst wordt Charles Van Renynghe de Voxvrie opgevolgd door mevrouw Heursel-Angloo. Tijdens haar beleid wordt het museum in 1983 geklasseerd als beschermd monument. In 1994 komt het museum onder het beheer van de stad Ieper via een erfpacht. Op 16 maart wordt in de grote eetzaal van het museum de akte plechtig ondertekend. Wat de bezoeker vandaag te zien krijgt, is de twintigste-eeuwse reconstructie van een negentiende-eeuwse reconstructie van een achttiende-eeuws herenhuis: de heropbouw van een huis als een museum en een museum als een huis. 

 

 

EEN WANDELING OP HET GELIJKVLOERS

 

De sierlijke gevel is in een overgangsstijl rococo-neoclassicisme. Het smeedijzeren balkon is authentiek. Dit beschermde monument werd gebouwd met gele baksteen op een sokkel van Atrechtse zandsteen. Opvallend is dat de verbindingen in het metselwerk nagenoeg onzichtbaar zijn. De mortel werd in een gleuf aan de binnenkant van de bakstenen aangebracht zodat de stenen zeer nauw aaneensluiten. De gevel is als het ware uit grote vlakken opgebouwd. Deze techniek is typisch voor de achttiende-eeuwse 'hotels' in onze streek. 

 

De ontvangstruimte is vooral gewijd aan de geschiedenis van het museum, met onder meer het merkwaardige reglement daterend uit 1898 en voorzien van Merghelyncks mooie handtekening. Opvallend is hoe inwoners van de stad het museum alleen mochten bezoeken mits de uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar. 'Speelreizigers' (toeristen) daarentegen hebben deze toestemming niet nodig. Ze worden wel vriendelijk verzocht rijzwepen en wapens aan de deur achter te laten. Hoewel de toenmalige elite zich uitsluitend in het Frans uitdrukte, is dit reglement tweetalig. 

 

De met kasseien geplaveide cour d'honneur sluit aan op het portaal. De oeils-de-boeuf (ovale venstertjes) en de siervazen boven de staldeuren verzachten het strenge karakter van het symmetrische binnenplein. Centraal staat een replica van de zogenaamde Rubensvaas: Rubens ontwierp deze vaas voor de Kapellekerk in Brussel, Arthur Merghelynck kocht ze in 1893. Na de oorlog werd een replica geplaatst.

 

De vestibule geeft toegang tot de dienstruimtes, de salons en via de trap tot de privé-vertrekken. Zoals gebruikelijk in de tweede helft van de achttiende eeuw, ontving de familie vrienden en kennissen in de salons beneden. De eerste verdieping was voorbehouden voor het privé-leven. 

 

Via een geheime deur, naadloos ingewerkt in de lambrisering, komen we in een klein damessalon, het boudoir. Harmonie en evenwicht bepalen het karakter van deze ruimte. De symmetrie wordt onder meer bereikt door maar liefst drie valse deuren. Een grote spiegel doet deze kleine kamer veel groter lijken. Op de Lodewijk XVI-commode staan vier beeldjes in biscuit de Sèvres uit 1780-1793. Biscuit was populair door de overeenkomst met klassiek marmer. De manufacture van Sèvres behoorde tot de absolute top. 

 

Vóór de Eerste Wereldoorlog stond de eetkamer eivol maar enkel de kroonluchter bleef bewaard. Nu staat er zelfs geen tafel meer. Echt uitzonderlijk is dat niet: vaak aten de mensen aan kleine ronde tafels die na de maaltijd werden weggeborgen. Dat het hier om een eetkamer gaat, bewijst het snijwerk boven de deuren dat verwijst naar de landbouw, de tuinbouw en de veeteelt. In het midden van de eetkamer staat de jardinière, een hoge plantenbak, strategisch onder de luchter om afdruppend kaarsvet op te vangen. Het fraaiste stuk in deze ruimte is de staande klok met inlegwerk omstreeks 1800 gemaakt in Newport, Wales. 

 

In het muzieksalon trekt de mooie harp alle aandacht: een echte 'Cousineau'. Cousineau was luthier de la reine (meester-instrumentenmaker) van MarieAntoinette. Voor de open haard staan twee Lodewijk XVI -canapés: een met een hoge en een met een lage rug. De laatste was speciaal bedacht om dames met hoge pruiken meer bewegingsvrijheid te gunnen. 

 

Vanuit de grote salon is er een mooie doorkijk tot aan het boudoir. Deze enfilade is één van de 18de-eeuwse principes in de Franse burgerlijke bouwkunst. Ze plaatst de belangrijkste doorgangen aan de kant van de vensters op een as. De ruime salon trekt door de vele vensters en spiegels uitzonderlijk veel licht. Op veilige afstand van het haardvuur staan twee fraaie Lodewijk XV-bergères 'en cabriolet'. Dat was een nieuw stoeltype, omstreeks 1725 in Frankrijk ontstaan. Het was zowat de meest comfortabele zetel die er bestond, hoewel de dames met de brede hoepelrokken wellicht werden gehinderd door de leuningen. Wat verder staan vier lage stoelen rond een speeltafel, die omgevormd kan worden tot een hoektafel.

 

Het standenverschil wordt al duidelijk bij de smalle keukendeuren: dienstmeisjes droegen immers geen hoepelrokken. Behalve enkele afbeeldingen van populaire heiligen en wat Hollandse faiencetegeltjes is de decoratie in de keuken heel sober. Een gootsteen is er niet. Het gaat hier namelijk om een 'droge' keuken, waar het voedsel werd bereid op de open haard of op de acht houtskoolvuurtjes. In de aansluitende 'natte' keuken stond de pomp en werd er gewassen. 

 

 

TRAP EN TUSSENVERDIEPING

 

Absolute blikvanger op de trap is het schilderij De IJdelheid van de Rijkdom. Dit schilderij zou in 1637 bij het atelier van Rubens besteld zijn door de beroemde Ieperse bisschop Jansenius (1585-1638). De kostbare kledij, juwelen en gouden voorwerpen verwijzen naar de rijkdom. De aap, de papegaai en de glazen bol verbeelden de ijdelheid. De zeepbellen herinneren aan de vergankelijkheid. Centraal staat een bloemenvaas. Nu zijn bloemen van oudsher een vanitassymbool, maar opvallend is hier de glansrol die gevlamde tulpen hebben gekregen. Wellicht heeft dat alles te maken met de tulpengekte die Amsterdam teisterde in 1637, het jaar waarin dit schilderij werd besteld. 

 

Een deur halfweg de trap geeft toegang tot de tussenverdieping. De eerste kamer was de kinderkamer en de aanpalende kamer die van de gouvernante. Daarachter, boven de keukens en de stallingen, liggen de verblijven van het dienstpersoneel. 

 

Aan de overloop van de eerste verdieping liggen de privé-vertrekken van de familie Merghelynck. De koperen fontein in Lodewijk XIV-stijl laat zien hoe het appartement van water werd voorzien. Omdat er in het 18de-eeuwse huis nog geen waterleiding lag, bracht het dienstpersoneel water naar de verdieping en goot dat in de fontein. 

 

 

EERSTE VERDIEPING

 

De slaapkamer van mevrouw is afgesloten met een dubbele deur om de warmte van het haardvuur in de kamer te houden. Het was niet ongebruikelijk om een bed met baldakijn nog eens in een alkoof te plaatsen voor meer warmte en intimiteit. Naar hedendaagse normen is het bed vrij kort. De mensen waren toen gemiddeld kleiner en ze sliepen bovendien halfzittend. Het kersenhouten nachtkastje in de alkoof heet een 'stilletje'. Als je het deksel openschuift, verandert het meubel in een toilet met een prachtige porseleinen pot. In de kasten wordt het grootste deel van de porseleincollectie uitgestald. 

 

In de antichambre van de slaapkamer van mevrouw is het enige meubel een commode in régencestijl met mooi snijwerk. Het draagt een van de leukste voorwerpen van het museum: het frivole tafereel in Meissenporselein, dat een adellijke dame in een draagstoel voorstelt die bijzonder vriendelijk wordt aangesproken door een modieus uitgedoste priester.  

 

In de privé-salon kon de familie gezellig samen zijn. De muren zijn bekleed met authentieke toile de Jouy ontworpen door kunstschilder Jean-Baptiste Huet.

 

In de dinette of kleine eetzaal gebruikten de vroegere bewoners er kleine maaltijden. In de vitrine liggen allerlei kleinoden uitgestald: punchlepels, strooilepels of de 'geboortelepel' van Trintje Dirks Verwerda,  geboren op 7 oktober 1772. Verder enkele snuifdoosjes waaronder één in zilver en parelmoer, een meesterwerk gemaakt ca 1750 door de Gentse zilversmid Gyselinck met gravures van Norhert Heylbrouck. Het ronde doosje in filigreinwerk is een mouchesdoosje. De mouches waren kleine stukjes papier die oorspronkelijk bedoeld waren om pokkenlittekens te maskeren, maar in de 18de eeuw zowel door mannen als door vrouwen werden opgeplakt als schoonheidsvlekjes. 

 

Vóór het mouchesdoosje ligt de halsband van de hond van de familie Carton. De rookkamer heeft een muurbekleding in bruin fluweel. Die is slechts een tint donkerder dan de lambrisering en het hout van de meubels. Bruin was een modekleur in Parijs rond 1775. De verschillende kleurnuances hadden allerlei plastische namen zoals caca-dauphin of merde d'oie. Roken was zeer populair. Zoals de aardewerken pot met het opschrift Tabac de Virginie 1786 suggereert, werd er tabak uit de V.S.A. geïmporteerd. Maar ook rond leper werd er in de tweede helft van de 18de eeuw heel wat tabak gekweekt. Die werd gepruimd, gesnoven of gerookt in een pijp. Sigaren en sigaretten zouden pas doorbreken in de 19de eeuw. 

 

Een diep donkerrode kleur domineert de slaapkamer van mijnheer. Ook hier staat de alkoof centraal, afgescheiden door een grote deur. Links en rechts ervan zijn er kleine cabinets de toilette voorzien. In de alkoof staat een Lodewijk XVI-bed in beukenhout. Het is een bed op wieltjes afkomstig uit het kasteel van Penthièvre. De laatste hertog van Penthièvre ( 1725-1793) en dus de eigenaar van dit bed, was een kleinzoon van de zonnekoning Lodewijk XIV.  

 

In het cabinet de toilette links van de alkoof, staat de chaise percée: een eenvoudig model in hout met een bidetschaal in aardewerk. Het plaatsen van de doorboorde stoel in een 'apart' cabinet de toilette is een nieuw gebruik in de 18de eeuw. Daarvoor stonden de stoelen gewoon in de kamer, achter een gordijn. Naast de chaise percée staat de autoclystère of clysopompe. Deze klisteerspuit werd gebruikt bij constipatie, een veelvoorkomende kwaal bij de 18de-eeuwse elite die overvloedig tafelde en nauwelijks beweging had. De buis werd met olie en warm water gevuld. Door op de pin te zitten en te pompen kon men zichzelf bedienen. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat het cabinet de toilette soms chambre de misère of miseriekamer werd genoemd. Via de andere deur van dit kleine cabinet de toilette komen we weer op de overloop.

 

Jan Dewilde 

 


 

Het fonds Merghelynck in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel

 

Toen Arthur Merghelynck uit onvrede met het stadsbestuur van Ieper besliste om in 1905 zijn genealogische verzameling aan de Koninklijke Bibliotheek te schenken, kon hij natuurlijk niet vermoeden dat het belang daarvan ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog zeer sterk zou toenemen. Gedurende zowat zijn hele leven heeft Merghelynck haast maniakaal gepoogd om alles en nog wat te verzamelen dat van belang kon zijn voor de studie van 'vooraanstaande' families die in de regio van de Westhoek hun roots hadden of er na verloop van tijd zich kwamen vestigen.  

 

Ook over families van buiten deze regio staan aardig wat stamboomgegevens opgetekend zodat het fonds ook voor grote delen van Vlaanderen en het daarbij aanleunende Noord-Franse gebied op dat vlak van groot nut kan zijn. Naast diverse archieven van centrale instellingen en privéverzamelingen waren vooral de Stadsarchieven van Veurne, Diksmuide en bovenal dat van leper het uitgelezen werkterrein om deze collectie op te bouwen.  

 

Met het verdwijnen van het bijzonder rijke Stadsarchief van Ieper gedurende het begin van de Eerste Wereldoorlog zijn de talloze notities, vaak niet meer dan de opsomming van namen en verwantschappen maar soms ook korte samenvattingen en zelfs volledige kopieën van archivalia, in het fonds Merghelynck 'unieke' documenten geworden. Bij genealogen is dit fonds zeer goed gekend; historici hebben met uitzondering van enkele rari nantes deze verzameling nauwelijks geraadpleegd waardoor de geschiedschrijving over de Westhoek een grote kans onbenut laat. 

 

Voor het depouilleren van al deze archieven moet Merghelynck snel ingezien hebben dat dit zijn eigen mankracht ver te boven ging. Aangezien hij toch op geen cent hoefde te kijken, schakelde hij een hele resem medewerkers in, terwijl hij via zijn netwerk met andere genealogen heel wat informatie uitwisselde. 

 

Naast al deze nota's bevat het fonds ook talrijke originele documenten die Merghelynck via schenkingen en aankopen wist bijeen te brengen. Het merendeel daarvan heeft eveneens betrekking op die families. Ook al is het fonds nog door Merghelynck zelf geïnventariseerd in zijn Vade-mecum uit 1896-97, de anorganische groei, het ontbreken van sommige stukken en de alomtegenwoordige aanvullingen, ook nog na 1897, zorgden niet onmiddellijk voor een duidelijk overzicht van dit omvangrijke en belangwekkende fonds. Dit maakt dat wie de vele honderden volumes doorneemt nog steeds voor aangename verrassingen komt te staan. 

 


 

Epiloog 

Een adellijke missie

De negentiende-eeuwse cultus van het verleden 

 

 

Overweldigend: dat was de indruk die de transformatie van staat en samenleving in de negentiende eeuw maakte. De verandering was inderdaad alomvattend. Een grootschalige en gemechaniseerde industrie ontplooide zich. De natuur werd opengebroken en de steden werden vernieuwd. De massa, strijdend voor de uitbreiding van het stemrecht, oefende een ongekende politieke druk uit. 

 

Er ontstond een spektakelmaatschappij, met een sterk groeiende consumptiecultuur. Intussen reeg de wetenschap de successen aaneen, ten koste van de vertrouwde religie en moraal. Het hele beschavingsproces werd ten slotte omschreven als een onvermijdelijke en onstuitbare vooruitgang. De modernisering kon niemand ontgaan. 

 

Maar met de modernisering nam ook de onzekerheid toe, en het verlangen naar vastheid en geborgenheid. Velen wendden zich daarom naar het verleden, naar de oude, nog niet door de omwentelingen verstoorde wereld, die met nostalgie omgeven raakte. De wending naar de geschiedenis hield echter ook een 'retraditionalisering' van de eigen tijd in. Elke nieuwe schok werd nu geïnterpreteerd als (slechts) een 'aanpassing' van het bestaande aan de moderne tijd, revoluties werden verzacht tot golven in langlopende continuïteiten, tradities werden uitgevonden. Op die manier werd - voor wie aan twijfel ten prooi was gevallen - het leven draaglijker. Hoe ver de hang naar het verleden kon reiken, blijkt uit de compromisloze passies waardoor Arthur Merghelynck zich sinds zijn jonge jaren liet leiden. 

 

 

SCHEPPINGEN

 

Merghelyncks fortuin stelde hem in staat als 'eigenaar' door het leven te gaan en zich te wijden aan wat hem werkelijk interesseerde: de kunst en vooral de oudheidkunde. Hij werd lid van een aantal lokale en regionale historische genootschappen en fungeerde als - onbezoldigd - stadsarchivaris van zowel Veurne als Ieper. Zijn antiquarische belangstelling kreeg echter vooral vorm in genealogisch werk. Al in de vroege jaren 1870 stelde Merghelynck de stamboom van het eigen en van aanverwante geslachten op. In 1877 publiceerde hij een erudiete Recueil de généalogies inédites de Flandre. De volgende jaren bleef hij in een omvangrijk 'genealogisch kabinet' allerlei historische wetenswaardigheden over de adellijke geslachten van (West-)Vlaanderen verzamelen. In 1896-1897 liet hij een Vade-mecum pratique et utile des connaissances historiques bij deze verzameling verschijnen. Zoveel was duidelijk: de geschiedenis van 's lands oude geslachten moest worden gememoreerd.  

 

De oudheidkundige interesse van Merghelynck richtte zich echter ook op de materiële resten van het verleden: inscripties, munten, penningen, maar ook ruïnes. Daarmee betrad hij het terrein van de monumentenzorg. Het ongemakkelijke heerschap dat Merghelynck was, haalde scherp uit naar iedereen die hij op onverschilligheid ten aanzien van het patrimonium betrapte. Hij had het over het "vandalisme officiel" van de overheid, veroordeelde ondeskundig uitgevoerde restauraties, betreurde het feit dat in het nochtans zo monumentenrijke België nonchalance en utilitarisme hoogtij vierden.  

 

De twee grote restauratieprojecten die Merghelynck zelf uitvoerde, getuigden van het ideaal dat hij nastreefde. De restauratie van het in 1875 verworven Kasteel Beauvoorde was een 'maximale' restauratie: de kasteelheer poogde zijn fief-manoir ten volle in zijn stijleenheid te reconstrueren. Beauvoorde moest van alle kanten en in alle kamers de zeventiende-eeuwse Vlaamse renaissance uitademen. Het kasteel moest een "reconstitution impeccable du passé" worden. Om dat effect te bereiken werd het ook in stijl gedecoreerd. Maar dat gebeurde op verschillende manieren: Merghelynck verzamelde allerlei authentieke zeventiende-eeuwse stukken (meubels, schilderijen, voorwerpen), maar maakte ook gebruik van negentiende-eeuwse pastiches en kopieën. Beauvoorde, zo bleek, werd niet eenvoudig gerestaureerd, maar als een Gesamtkunstwerk geschapen. 

 

Ook het in 1892 aangekochte hôtel in Ieper was meer dan een restauratie. Ook hier koos Merghelynck voor een 'maximale' aanpak: het hôtel, waaraan vandalisme en slechte smaak het oorspronkelijke karakter hadden ontnomen (aldus de nieuwe eigenaar), werd geheel 'hersteld' naar de mode van de tijd waarin het was gebouwd. Het moest een zuiver specimen worden van de stijlen van de tweede helft van de achttiende eeuw (of van de "style de transition des époques Louis XV, Louis XVI"). Ook in dit geval moest de decoratie - van de vestibule, de eetkamer, de muzieksalon, de kleine kapel ... - bijdragen tot een homogeen geheel. Zo werd ook het hôtel een schepping, een remake die 'historischer' was dan het origineel. 

 

 

DUURZAAMHEID 

 

Het Kasteel Beauvoorde en het hôtel van Ieper hielden samen een leven in twee stijlen in: aan de ene kam de zeventiende-eeuwse Vlaamse renaissance, aan de andere kant de verfijnde stijl van de achttiende-eeuwse Franse beschaving, van Watteau, Boucher en Fragonard. Uitzonderlijk was een dergelijk dubbelleven in de negentiende eeuw niet. Het wijdverspreide eclecticisme, geboren uit de trots van op het vermeende hoogtepunt van de geschiedenis de hele beschaving te kunnen overzien, maakte combinaties van historische (neo-) stijlen eerder tot regel dan tot uitzondering. Voor de statusgevoelige adel waartoe Merghelynck behoorde, paste dit stijlpluralisme bovendien bij de gewoonte er een dubbele woonst op na te houden: een kasteel op het platteland, dat als zomerresidentie dienst deed, en een hôtel in de stad, waar het winterseizoen werd doorgebracht. Hun specifieke, historische stijl onderscheidde hen van de negentiende-eeuwse constructies, die zich, aldus Merghelynck, slechts door stijlloosheid - of door een "style 'fabrique'" - kenmerkten. 

 

De kritiek op de eigentijdse, stijlloos geachte architectuur liet vermoeden dat Merghelynck, die zich graag tot 'l'opinion conservatrice' bekende, op gespannen voet met de eigen tijd stond. Zij vormde inderdaad een onderdeel van een bredere cultuuren maatschappijkritiek. Daarin werd de eigen tijd geassocieerd met de principes van de Franse revolutie (het werk van moordenaars en vandalen). In de 'siècle démocratique' die de negentiende eeuw was, heersten hoogmoed en ijdelheid, zo luidde het. Zij was een tijd van affairisme en machiavellisme, waarin alles - zelfs de kunst - aan het profijt werd geofferd en uiteindelijk niets meer deugde, getuige de beroerde kwaliteit van inkt en papier. De jonker wenste zelfs geen gebruik te maken van de buurtspoorwegen. Hij was een traditionalist, die niet van veranderingen hield. 

 

Dat deed Merghelynck - en vele negentiende-eeuwers met hem - teruggrijpen naar de vertrouwde realiteit van weleer. Die realiteit wilde hij laten herleven. Het instrument bij uitstek van dit historisch revivalism was de nauwkeurige enscenering van de voorbije wereld. Merghelynck toonde er zich een geduldige meester in. Zowel in Beauvoorde als in het Ieperse hôtel, dat hij in 1894 als museum opende, vatte hij elk vertrek op als een 'assemblage' van meubels en voorwerpen, die in hun 'natuurlijke' setting werden geplaatst. Zo ontstonden 'stijlkamers', waarin het verleden werd geëvoceerd en waarin de bezoekers de illusie kregen in het verleden zelf - de zeventiende of de achttiende eeuw - rond te wandelen. Merghelyncks scheppingen waren ficties, dromen, die erop gericht waren "toute intrusion de la vulgarité contemporaine" in het eigen universum te verhinderen. 

 

Het verleden te laten doorleven beschouwde Merghelynck als de roeping van zijn eigen stand. In de draaikolken en de windhozen van de modernisering had de adel immers een eigen missie: zij moest vastheid bieden. Die vastheid zocht zij in de geschiedenis. Het verleden was voor haar geen proces van voortdurende verandering, maar integendeel een traditie met exemplarische waarde, gekenmerkt door continuïteit en innige verbondenheid met de erflaters die de eigen generatie waren voorgegaan. De adellijke Merghelynck zocht deze duurzaamheid in de eigen familiegeschiedenis en in de stambomen van zijn standgenoten, maar ook in een 'stamslot' en in een voorvaderlijk hôtel. Maar ook minder gefortuneerde tijdgenoten trachtten hun onbestemde bestaan in de geschiedenis te verankeren. De negentiende eeuw zong de lof van de vooruitgang, maar betuigde niet minder een krachtige gehechtheid aan het verleden.

 

Jo Tollebeek  

 


 

Praktisch

 


 

TENTOONSTELLING

Merghelynck08 - Passies van een edelman 

Van 28 juni tot en met 21 september 2008 

 

TWEE LOCATIES:

 

• Kasteel Beauvoorde Wulveringemstraat 10, Veurne

Juli-aug: dagelijks 14- 17.30 uur, maandag gesloten

Sep: do-vr-za-zo 14-17.30 uur

Toegangsprijs 5 euro (kasteel en koetshuis)

www.kasteelbeauvoorde.be

Tel. 058 29 92 29

 

• Stedelijk Museum leperleestraat 31, leper Dagelijks 10-12.30 uur en 14-18 uur, maandag gesloten

Toegangsprijs 2,5 euro

www.ieper.be

Tel. 057 21 83 00 

 

Wie een van de twee locaties bezoekt, krijgt een kortingsbon van I euro voor bezoek aan de andere locatie. Naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt een catalogus (29,95 euo), met bijdragen van Jan Van Acker, Paul Trio en Pieter Donche. 

 

KASTEEL BEAUVOORDE

OPENINGSUREN: 

1 april - 31 oktober: do-vrij-zat-zon van 14.00 tot 17.30 uur

juli en augustus: alle dagen (behalve mandag) van 1 4.00 tot 17.30 uur

1 november - 1 maart: zondag van 14.00 tot 17.30 uur

Groepsbezoek met gids steeds na reservatie

 

KASTEELPARK

Gratis toegankelijk

Alle dagen (behalve maandag) van 10.00 tot 18.00 uur

 

Kasteel Beauvoorde

Wulveringemstraat 10 

8630 Veurne

Tel. 058 29 92 29

kasteel.beauvoorde@erfgoed-vlaanderen.be

www.kasteelbeauvoorde.be 

 

HOTEL-MUSEUM ARTHUR MERGHELYNCK

Het museum kan enkel bezocht worden door groepen, onder begeleiding van een gids, het hele jaar door.

leder bezoek moet ruim op voorhand aangevraagd worden via het Streekbezoekerscentrum. 

 

Hotel-Museum Arthur Merghelynck

Arthur Merghelynckstraat 2

8900 leper

Tel 057 239 220

www.ieper.be 

 


 

AUTEURS

 

Jan Dewilde is licentiaat in de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Hij is conservator van het Hotel-Museum Arthur Merghelynck.

 

Pieter Donche doet sinds meer dan 30 jaar genealogische opzoekingen en publiceerde meer dan 150 bijdragen in diverse genealogische, heraldische en historische tijdschriften. Zijn onderzoek richt zich vooral op de voormalige kasseirijen Veurne en leper, waarbij hij ook talloze malen het Fonds Merghelynck in de KB raadpleegde. Van opleiding is hij burgerlijk ingenieur en verbonden aan de Universiteit Antwerpen.

 

Annemie Morisse is licentiaat in de Germaanse Filologie en siteverantwoordelijke Kasteel Beauvoorde.

 

Jo Tollebeek is hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de K.U.Leuven en doceerde eerder aan de Rijksuniversiteit Groningen, de University of Pennsylvania in Philadelphia en de Universiteit Antwerpen. Hij publiceert vooral op het terrein van de geschiedenis van de historische cultuur in het negentiende- en twintigste-eeuwse Europa. Binnenkort verschijnt van zijn hand Fredericq & Zonen. Een antropologie van de moderne geschiedwetenschap (Amsterdam, uitg. Bert Bakker, 2008).

 

Paul Trio is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de K.U.Leuven en aan de K.U. Leuven Campus Kortrijk. Hij publiceerde over middeleeuwse volksreligie en schreef enkele bijdragen over de middeleeuwse geschiedenis van leper aan de hand van het Fonds Merghelynck. 

 

Jan Van Acker is erfgoedconsulent van de stad Veurne. Hij is lic. geschiedenis ( KUL) en lic. archivistiek (VUB). Hij is lid van het Berek van Biekorf (algemeen West-Vlaams historisch tijdschrift), bestuurslid van de Vrienden van het Veurns Archief, en lid van de wetenschappelijke raden van het Veurnse Bakkerijmuseum en van het Abdijmuseum Ten Duinen 1138 in Koksijde. Hij was redacteur van een aantal verzamelwerken en publiceert hoofdzakelijk over de geschiedenis van Veurne en Veurne-Ambacht, vooral tijdens de late middeleeuwen.