U bent hier

Academisch erfgoed Universiteit Gent

Matheus lgnatius van Bree, De plechtige installatie van de Universiteit van Gent door de prins van Oranje in de troonzaal van het stadhuis, 1817-1830, paneel, 52 x 66 cm Rijksmuseum, Amsterdam.

 

INLEIDING

 

 

In het verhaal van de academische collecties van de Gentse universiteit speelt koning Willem I, die de plak zwaaide van 1815 tot 1830 en zich intens inliet met onderwijspolitiek, een belangrijke rol. Elke universiteit moest volgens een bepaling uit 1816 onder meer voor haar onderwijs in de natuurlijke historie beschikken over 'un cabinet pour l'histoire naturelle des animaux et pour leur anatomie comparée'. In 1817 werd de universiteit van Gent opgericht. Willem I zelf schonk de nieuweling enkele verzamelingen of geld om stukken te kopen.

 

De invloed van koning Willem blijkt overduidelijk uit de collecties die hierna aan bod komen. Ze zijn geselecteerd omdat ze organisch verbonden zijn met de kerntaken van de universiteit. Een aantal verzamelingen is aangelegd als een instrument bij het onderwijs. Aan de basis ligt de oude pedagogische gedachte dat aanschouwelijk onderwijs aan de hand van levensechte, tastbare objecten meer aanspreekt dan papieren uiteenzettingen. Andere collecties kwamen tot stand op grond van een wetenschappelijke vraagstelling, bijvoorbeeld om proeven te doen. Ze zijn vaak verbonden met een ondernemende hoogleraar.

 

Aan de Universiteit Gent bestaat er geen overkoepelend overzicht van het academisch erfgoed en zijn er voorlopig geen gemeenschappelijke initiatieven voor de universitaire collecties. Iets dergelijks was er wel in 1992, toen de Universiteit Gent 175 jaar bestond en ze bij die gelegenheid uitpakte met haar museale collecties. Een opmerkelijke evolutie van het jongste decennium is dat drie van die collecties onderdak hebben gevonden in Het Pand, het cultureel en congrescentrum van de universiteit. Die Universiteit Gent kan bovendien prat gaan op de eerste voltijdse conservator van een universitair museum in Vlaanderen (Dierkunde); en er is ondertussen een tweede (Geschiedenis van de Wetenschappen). Ik heb op mijn rondgang door de universitaire collecties in Gent overal veel enthousiasme, grote betrokkenheid, ruime kennis van zaken en... weinig middelen ontmoet. Ik heb ook heel veel zin voor de traditie gevoeld. De huidige verantwoordelijken spraken graag over hoe 'hun' collectie is gegroeid en welke (grote) namen van voorgangers erachter schuilgaan. Onvermijdelijk vertonen de archieven ook lacunes en zijn veel geschiedenissen nog niet geschreven. Voer voor proefschriften?

 


INHOUD

1.      Het Oudheidkundig Museum

2.      De etnografische collecties

3.      Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde

4.      Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschap

5.      Museum voor Dierkunde

6.      De Piranesi-collectie

7.      Praktisch


 

HET OUDHEIDKUNDIG MUSEUM - HET BEGON MET EEN KANUNNIK EN EEN KOLONEL

 

 

"Archeologen en een ruim publiek, het blijft een moeilijke relatie," zegt archeoloog en kersvers doctor Patrick Monsieur, verbonden aan de Universiteit Gent en verantwoordelijk voor dit museum en zijn studiecollectie, in opdracht van professor Jean Bourgeois en de Vakgroep Archeologie. "De mentaliteit bij de archeologen geeft meestal de voorrang aan onderzoek en wetenschap. Een ruim publiek bereiken is niet het eerste van hun doelen. Jammer, en een museum als dit kan daar misschien iets aan doen. Al zal archeologie natuurlijk nooit een 'makkelijk' museaal thema worden. Gelukkig zit er beterschap in en merk je ook bij de academische overheid zelf belangstelling voor universitair erfgoed als dit, dat volop verbonden is met de geschiedenis van de universiteit. Maar uiteraard moeten de voorstellen en het enthousiasme in de eerste plaats van de archeologen zelf komen. Eigenlijk zou dit museum - en erfgoed in het algemeen - voor iedereen een grotere prioriteit moeten worden. Daar pleit ik dan ook voor."

 

De plaats waar het museum zich aanvankelijk bevond, was geconcipieerd door Henry van de Velde (het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde) en doet nu dienst als computerlokaal. Het Pand, het cultureel centrum van de universiteit waar het museum zich vandaag de dag bevindt, maakt de ontsluiting makkelijker maar snijdt de collectie fysiek ook enigszins af van de studenten en de plek waar zij hun cursussen volgen.

 

 

WILLEM I ALS DOORGEEFLUIK

 

Het verhaal van de Gentse Archeologische Verzamelingen of het Oudheidkundig Museum begint nog voor de universiteit in 1817 wordt opgericht. Aan de basis ligt de rijke archeologische en numismatische collectie van kanunnik Martin-Jean de Bast (1753-1825). We hebben het dan nog over de tijd toen archeologie als een soort 'schattenjacht' werd bedreven en in de kunsthistorische sfeer zat. Zijn collectie schonk de kanunnik in 1822 op lijfrente aan Willem I en de koning gaf een groot deel aan het oudheidkundig kabinet van de jonge Gentse universiteit. Die beschikte dus van meet af aan over een collectie nationale archeologie (pre- en protohistorisch, Gallo-Romeins en Merovingisch).

 

De Antwerpse kolonel Bernard Rottiers werkte voor het Russisch leger (onder meer in Georgië en Azerbeidzjan) en was archeologisch geïnteresseerd. Ook hij verkocht zijn verzameling aan Willem I. Die schonk rond 1823 een deeltje ervan aan de Gentse universiteit; veel ging naar Leiden. Het gaat om een klassiek-mediterrane (Egyptisch, Grieks, Etruskisch, Romeins) collectie, het resultaat van veel aankopen en van eigen opgravingen in Griekenland. Ook zoon en talenkenner Jean Rottiers deed expedities.

 

De Egyptische collectie is mogelijk deels afkomstig van de Bruggeling Jean-Baptiste de Lescluze (1780-1858), die in de jaren 1820 handelsexpedities naar de Zwarte Zee en 'de Levant' leidde, onder meer met Jean Rottiers. Veel komt van een zekere Linqvist, een Gentenaar van Scandinavische afkomst. In het museum is de Spaanse bronstijd goed vertegenwoordigd, dankzij een verzameling die een geheel vormt en die werd aangelegd door de broers Henri en Louis Siret, twee Waaslandse ingenieurs die een tijd werkten in de streek van El Argar in Zuidoost-Spanje bij de aanleg van spoorwegen. Tussen 1884 en 1889 ontdekten ze er sporen van een belangrijke cultuur uit de vroege bronstijd, een van de vroegste metaalproducerende culturen in Atlantisch Europa. De vondsten bestaan uit aardewerk, kralen en metaal. Het museum kocht ze in 1897-1898 aan.

 

 

MUSEUMMAN JOZEF MAERTENS

 

In de negentiende eeuw wordt de collectie stelselmatig uitgebreid, maar omdat een deel van het museumarchief (en een aantal objecten) tijdens de Eerste Wereldoorlog verloren gingen, is het moeilijk om daar een beeld van te krijgen. Het resultaat is een in moderne ogen heterogene collectie, die voor de mensen die ze hebben samengesteld eenvormig was. Dé museumman van de eerste decennia van de twintigste eeuw is Jozef Maertens de Noordhout (1872-1941), die in de praktijk conservator was tot 1931, onder supervisie van professor A. De Ceuleneer. Hij herzag het museum, schonk enkele stukken uit het Middellandse Zeegebied en kocht objecten aan, ook uit onze streken (onder meer de vondst van Port Arthur). Zijn eigen collectie verdeelde hij over dit museum en de Bijloke. Met hem verschijnt een tendens die sindsdien alleen maar is versterkt: de uitbreiding van de collectie heeft voortaan alles te maken met de 'nationale archeologie'. Zeg maar: met de wetenschappelijke opgravingen door het Gentse Seminarie voor Archeologie.

 

 

DE 'AFGESLOTEN' EN DE 'NATIONALE' VERZAMELING

 

Het Oudheidkundig Museum bestaat uit twee grote delen. Het oude toont de 'afgesloten' collectie zoals die in de negentiende en het eerste deel van de twintigste eeuw tot stand is gekomen. Het doet dat in een kabinetopstelling, om de geest waarin de verzamelingen tot stand zijn gekomen op te roepen. Deze oude collectie van het museum is geen unicum en vind je op nogal wat plaatsen, ook in België en Nederland. Ze geeft wel een mooi beeld van hoe men archeologie in de negentiende eeuw opvatte.

 

Het tweede deel bevindt zich in een andere ruimte en toont een collectie die het resultaat is van het eigen universiteitsonderzoek in onze gewesten vanaf de jaren 1950, aanvankelijk onder impuls van professor Sigfried De Laet. Dat onderzoek loopt door tot vandaag. Opgravingen waren en zijn er bijvoorbeeld in Aalter, Destelbergen, Hofstade, Kruishoutem, Maldegem, Sint-Gillis-Waas en recent Verrebroek. Het werkveld is tegenwoordig vooral geconcentreerd in Oost- en West-Vlaanderen en randgebieden, maar was vroeger uitgebreider, zoals aan de collectie ook te zien is (bv. de necropool van Blicquy in Henegouwen). In dit deel van het museum probeert men ook de opgravingscontext te laten zien, onder meer met maquettes en luchtfoto's.

 

Deze 'nationale collectie' is belangrijk, omdat ze rechtstreeks voortspruit uit belangrijke opgravingen en omvangrijk universitair onderzoek. Voor de archeologie van onze gewesten is dit dan ook een belangrijk museum. De contrastwerking met (de opstelling van) het oude gedeelte en de verschillende visies op archeologie die daaruit naar voren komen, is bovendien ontegensprekelijk een meerwaarde. Omdat er vandaag nogal wat noodopgravingen zijn, komen er ook veel nieuwe stukken binnen, maar uiteraard zijn die lang niet allemaal museumwaardig. Die belanden in het depot op de Blandijnberg. Fraaie nieuwe aanwinsten worden uiteraard tentoongesteld.

 

 

OPMERKELIJKE STUKKEN

 

Het museum bezit een interessant ensemble Attische zwart-en roodfigurige vazen uit de zesde en vijfde eeuw v. C., de meeste uit Etruskische grafcontexten. Ongetwijfeld werden ze aangeleverd door kolonel Rottiers, die ze vermoedelijk op de antiekmarkten van Napels en Rome aankocht. Twee stukken vallen op: een zwartfigurige halsamfora met de voorstelling van Apollo met lier en hinde en vergezeld van twee vrouwen (mogelijk zijn zus Artemis en hun moeder Leto), en een roodfigurige kylix of drinkschaal waarop afscheidsscènes zijn afgebeeld van efeben (jongelingen in militaire dienst).

 

De boeiende collectie artefacten uit de steentijd is afkomstig van diverse vindplaatsen, vooral in België. Ze wordt didactisch gepresenteerd. Zo gaat er veel aandacht naar het vervaardigingsproces en de functie van de werktuigen, én naar de omgeving waarin ze zijn aangetroffen. Hoe leefden onze verste voorouders? Een tipje van de sluier wordt hier opgelicht. Het museum is terecht trots op zijn bijzondere verzameling bronzen voorwerpen. Ze dateren uit de laatste fase van de bronstijd (ca. 1100-750/700 v. C.). Blikvanger is de vondst van Port Arthur (Gent). Bij het graven van een nieuw havendok tussen 1915 en 1917 kwam een depot aan het licht van armbanden, ringen en kralen, misschien materiaal dat een smid wilde hergebruiken. Even indrukwekkend zijn de tientallen baggervondsten uit Leie, Schelde en Dender: zwaarden, bijlen, dolken en diverse sieraden in brons. Het blijft onduidelijk hoe ze daar terechtkwamen. Er bestaan diverse hypothesen over rituele handelingen van leidende familiegroepen. Ook de Gallo-Romeinse tijd is goed vertegenwoordigd. Het museum bezit een fraai pantheon van godenbeeldjes in brons en aardewerk die van diverse plaatsen in Vlaanderen afkomstig zijn. Die van Hofstade vormen een fraai geheel, waarin godinnen het woord voeren: Juno, Cybele, Venus, Minerva en een niet nader bepaalde moedergodin met zuigelingen.

 


 

DE ETNOGRAFISCHE COLLECTIES - PROFESSOREN VERZAMELEN DE WERELD

 

 

"Toegegeven: ik beschouwde onze verzameling al bij al als een eerder kleine en bescheiden collectie. Maar na het bezoek van enkele kenners en na de lof die zij, en die ook wetenschappelijke clubs, zongen over de kwaliteit van wat we hier hebben, heb ik mijn mening herzien. We hebben echt wel bijzonder zeldzame stukken en we bezitten een mooie collectie. Het 'wereldje' weet dat inmiddels ook, maar om een ruimer publiek aan te spreken hebben we momenteel niet de middelen. En zonder die middelen kun je niet echt een museumbeleid voeren." Aan het woord is Pauline van der Zee, die als een van haar vele taken de zorg voor dit museum heeft. Ze heeft het over een inderdaad bijzonder museumwaardige collectie, die in een mooie opstelling staat en bovendien in een prachtige locatie.

 

Pauline van der Zee: "De eerste westerlingen die op Polynesië kwamen, waren onder de indruk van de mensen die er woonden. Zo meende bijvoorbeeld één van de eerste ontdekkingsreizigers op Tahiti, Louis Antoine de Bougainville, de hof van Eden binnen te wandelen. Zijn lyrische berichtgeving heeft onder meer bijgedragen tot het filosofische idee van Jean Jaques Rousseau (1712-78) over de 'edele wilde'. Deze mensen leken in evenwicht met zichzelf en met de natuur. Maar algauw werden hun objecten verzameld als rariteiten. En later kreeg je natuurlijk de hele koloniale visie op de 'primitieve' bewoners van de westerse kolonies, hoe ze leefden en wat ze maakten. Hun kunst belandde vaak tussen twee stoelen. Wat was het: kunst, geen kunst, anonieme kunst? Vandaag lijkt me de kracht van een museum als dit dat je de verscheidenheid kunt tonen. Overal in de wereld proberen groepen mensen hun identiteit te bewaren, onder meer door hun kunst. Die boodschap kun je hier brengen."

 

 

EERST JAVA, DAN GUATEMALA

 

Het is in Gent een vaststelling die je bij veel collecties kunt maken: de oudste museumvoorwerpen hebben zo ongeveer de leeftijd van de universiteit zelf. In dit geval kreeg het toenmalige Musée des Antiquités de l'Université de Gand rond 1825 een aantal objecten uit Java. Die waren daar door E. de Bast verzameld. Even later kwamen er andere Indonesische beelden en wapens bij uit de collectie van baron J.J. van Geen. Bij die bescheiden collectie bleef het vervolgens een hele tijd.

 

Pas in 1895 wordt de Indonesië-collectie aangevuld met pre-Columbiaanse vondsten uit Guatemala. Dat was de verdienste van professor A. De Ceulenaer, die zowel 'Rome' als 'schone kunsten' en aardrijkskunde doceerde. De volgende grote naam in het museumverhaal is die van de bioloog, natuurhistoricus en etnograaf C. De Bruyne (1861-1937) en zijn Institut de Biogéographie. De Bruynes belangstelling ging breed. Hierdoor kon hij de collecties uitbreiden met objecten uit de drie verzamelgebieden die vandaag de dag nog altijd de kern van de zaak uitmaken: Oceanië, sub-Saharaans Afrika en Midden-Amerika (in casu Mexico).

 

 

 

KRATTENMUSEUM

 

Het eigenlijke museum is de verdienste van professor F.M. Olbrechts (1899-1958), die vanaf 1932 in Gent colleges etnische kunst en etnologie gaf. Hij zette de richting op de kaart en was een groot pleitbezorger van het uitgangspunt dat etnische kunst op dezelfde hoogte staat als westerse kunst. Dat nu populaire world art-idee lanceerde hij al heel vroeg. Olbrechts, een wereldautoriteit in zijn vakgebied, breidde in de periode 1937-1956 de collectie uit met objecten uit Melanesië, Centraal-Afrika, Ivoorkust en Noord-Amerika.

 

Het 'Museum Olbrechts' was voornamelijk een 'krattenmuseum'. De objecten waren praktisch bruikbaar voor de colleges maar nog niet in vitrines ondergebracht. Henri Van de Velde had voor het Hoger Instituut voor Kunst en Oudheden een museumruimte geconcipieerd. Toch duurde het nog tot 1968 voor Olbrechts' opvolger P.J. Vandenhoute, die een zeer vooruitstrevende opstelling had uitgetekend, daar de collectie kon plaatsen, samen met het Archeologisch Museum. Momenteel bevinden de etnografische verzamelingen zich in Het Pand in het hart van Gent, net als de archeologische collecties en het Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde.

 

 

DUBBELS UIT BERLIJN

 

Het museum ressorteert vandaag onder de afdeling Etnische Kunst. De collecties tellen ongeveer 4.000 voorwerpen, verdeeld over de drie vermelde gebieden: Oceanië en Indonesië; de Amerika's (Noord- en Zuid-Amerika en pre-Columbiaans Amerika) en sub-Saharaans Afrika. Die verdeling is ook in de vaste opstelling gehandhaafd: de drie gebieden beslaan drie eigen ruimtes. Wat er te zien is, is het belangrijkste, het mooiste, het meest relevante.

 

De Afrika-collectie is de omvangrijkste. Een groot deel komt uit Ivoorkust. Daar ondernamen in de jaren 1938-1939 de medewerkers van Olbrechts, P.J. Vandenhoute en A. Maesen, een wetenschappelijke expeditie om de kunstproductie (beelden, maskers, gebruiksvoorwerpen) te bestuderen bij voornamelijk de Dan en de Senufo, twee landbouwvolkeren. De collectie werd toen aangevuld met enkele honderden bijzonder goed gedocumenteerde voorwerpen.

 

De Amerika-verzameling concentreerde zich aanvankelijk op drie landen (Guatemala, Mexico en Columbia) en drie culturen (Maya, Azteken en Quimbaya). De voorwerpen werden kort vóór en na 1900 verzameld. Dankzij een ruil met het Department of Indian Art van het Denver Art Museum in 1939 kon een reeks Noord-Amerikaanse objecten worden toegevoegd.

 

De Oceanië-collectie is eigenlijk een Duitse collectie. Ze werd vooral rond 1900 verzameld in de Duitse koloniën en exploratiegebieden, en belandde in de afdeling Südsee van het Berlijnse Museum für Völkerkunde. Daar kocht professor C. De Bruyne ze in 1905 als dubbels.

 

 

OUD EN UNIEK: TOPSTUKKEN

 

De oudste stukken uit de collectie zijn twee beelden van Ganesha, de populaire Hindoegod met het olifantenhoofd. Ganesha wordt vereerd als de heer van het begin en van kennis. Hij ruimt ook hinderpalen uit de weg. Bedrijven rekenen op hem voor succes, studenten voor hun examens en schrijvers als ze aan een boek beginnen. Zijn vader Shiva is volgens een legende verantwoordelijk voor Ganesha's olifantenhoofd: Shiva hakte namelijk Ganesha's menselijke hoofd af, niet wetend dat het zijn zoon was. Hij beloofde daarop het afgehouwen hoofd te vervangen door dat van het eerste schepsel dat hij zag. Dat was een olifant.

 

De kwaliteit van de prachtige Gentse boomvarensculptuur uit Vanuatu (de voormalige Nieuwe Hebriden) is bijzonder hoog. Voor wie in het gradengenootschap van het eiland Ambrym een bepaalde 'graad' behaalde, werd zo'n boomvaren gesculpteerd, als een onderscheidingsteken. Daartoe werd een boomvarenstam tijdens de groei afgesnoerd, zodat er aan de onderkant een verdikking ontstond. Later werd uit de uitstulping het hoofd van de figuur gesneden. Meestal stelt zo'n beeld een voorouder voor die dezelfde graad behaalde. De voorstelling maakt de voorouder concreet en maakt contact mogelijk, waardoor men op zijn bescherming mag rekenen.

 

De Luba-Hemba kennen een matrilineaire afstamming. Ook in hun cultuur staan vrouwelijke voorstellingen centraal. Mooie Luba-Hembastaven mochten alleen door plaatselijke hoofdmannen worden gebruikt om hun waardigheid en gezag te benadrukken. Deze staf wordt bekroond door een vrouwelijke figuur die versierd is met scarificaties of littekentatoeages.

 

Het tatanua-dansmasker uit Nieuw-Ierland is een dubbel uit Berlijn. Het stelt een voorouder voor en werd gebruikt in speer- en visdansen, en bij erotische dansen tijdens het dodenfeest (malangan). De naam tatanua verwijst naar de levensgeest die het lichaam verlaat na het overlijden. De punkachtige haartooi houdt verband met de mannelijke haardracht tijdens de rouwperiode: mannen lieten hun haar groeien, verfden het en schoren tijdens de dodenfeesten het deel boven de oren weg. Het masker zou ook de schoonheidscriteria van Noord-Ierland laten zien: een grote mond, een brede vooruitstekende neus, langgerekte oorlellen. De kleuren zwart, wit en rood worden met mannelijke macht in verband gebracht.

 

 

INGEBLIKT EN NIET VERLOREN

 

De objecten en het documentatiemateriaal van de Ivoorkustexpeditie werden tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergebracht in een Antwerpse schuilkelder. Een deel werd toen vernield of ontvreemd. Zo rest er nog maar een klein deel van de films. Pauline Van der Zee: "Men veronderstelde altijd dat ook alle geluidsopnamen verloren waren, maar bij de verhuizing naar Het Pand troffen we in enkele ongenummerde blikken wasrollen aan. Natuurlijk zijn we erg benieuwd wat daar op staat. Het is wachten op middelen om dat te weten te komen..."

 


 

MUSEUM VOOR DE GESCHIEDENIS VAN DE GENEESKUNDE - VOOR EN NA CHIRURGIJN JAN PALFYN

 

 

Het doorlopende verhaal dat dit museum vertelt, begint rond 1800. Eerste onderwerp: de toenmalige algemene heelkunde. Het is een begin dat kan tellen. Er wordt flink wat gevochten en er worden dus kwetsuren opgelopen. Geneesheren stelpen het bloeden met brandijzers en ze milderen pijn met middelen als alcohol en laudanum (narcose komt er pas in 1846). Er is ernstig besmettingsgevaar (de rol van microben kent men nog niet) en drastische ingrepen, zoals amputaties, dringen zich op. Meer moet dat niet zijn om je meteen in het onderwerp in te leven en als het ware de pijn aan den lijve te voelen. Zelden een instrumentenmuseum gezien - trepanatieboren, zagen, amandelknipscharen, mond- en ooglidsperders - dat je zo naar de keel grijpt. En dat treffend illustreert dat het verhaal van de moderne geneeskunde al bij al een jong verhaal is.

 

"Ons succes betekent voor de universiteit een vorm van uitstraling," zegt professor-emeritus Leusen. "Je merkt dat de academische top meer en meer gevoelig wordt voor de rol die erfgoed kan spelen. Dat verlicht onze bezorgdheid enigszins: wij zijn met een groepje emeriti die dit museum sinds 1991 op vrijwillige basis in stand houden. We hopen uiteraard dat wat we hier hebben opgebouwd, niet opnieuw verspreid zal raken en vergeten worden."

 

 

VERSPREID EN VERZAMELD

 

Zoals voor veel universitaire collecties moeten we ook hier terugkeren naar de tijd van koning Willem I en de stichting van de universiteit in 1817. Willem schonk in die jaren aan de Faculteit Geneeskunde een aanzienlijke som geld om een verzameling instrumenten aan te leggen, zowel oude als recente stukken, zowel ten dienste van het onderwijs als met het oog op de geschiedenis van de discipline. Er kwam op deze manier een heus instrumentenkabinet tot stand, met J.F. Kluyskens (1771-1843) als eerste curator.

 

De oorspronkelijke verzameling groeide in de negentiende eeuw sterk aan door aankopen en schenkingen, maar er gingen ook nogal wat instrumenten verloren door de spreiding over verschillende diensten. Een deel van de collectie werd een tijdlang tentoongesteld in het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen. Toen dat naar De Sterre zou verhuizen, rees de idee om het geneeskundige luik zelfstandig te behandelen. Dat was begin jaren 1990 meteen de aanleiding om in de klinische diensten en diverse laboratoria op zoek te gaan naar bewaard gebleven instrumenten en apparaten.

 

 

INITIATIEF VAN PROFESSOREN-EMERITI

 

Het museum in zijn huidige gedaante is een initiatief van de Stichting Jan Palfyn (1991), een instelling van openbaar nut die de geschiedenis van de geneeskunde als doelstelling heeft. Een aantal professoren-emeriti zijn van bij het begin de drijvende krachten achter de Stichting en haar museum. Ze realiseerden dat na een succesvolle tijdelijke tentoonstelling Gent: 300 jaar geneeskunde, die plaatsvond in de schoot van de Faculteit Geneeskunde en het Universitair Ziekenhuis.

 

De huidige collectie telt meerdere duizenden voorwerpen, waarvan er enkele honderden worden tentoongesteld. Je kunt twee grote groepen onderscheiden: het grootste deel zijn instrumenten uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Ze documenteren de aanloop naar de moderne geneeskunde. Daarnaast zijn er ook oudere instrumenten (zeventiende en achttiende eeuw) en er is vooral ook een uitgebreide Gallo-Romeinse collectie. De verzameling groeit nog aan, onder meer dankzij schenkingen van enthousiaste bezoekers. Te grote stukken moet het museum weigeren door plaatsgebrek.

 

 

MARKANTE VERZAMELINGEN

 

De befaamde Gallo-Romeinse collectie Deneffe bestaat uit ruim achthonderd voorwerpen. Het gaat om chirurgische instrumenten uit de oudheid die professor Victor Deneffe (1835-1911) als fervent amateurarcheoloog goeddeels met eigen middelen verzamelde. Ze komen uit opgravingen in onze streken, in Frankrijk, Italië, Griekenland en Egypte. Deneffe doceerde oogheelkunde en geschiedenis van de geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Gent. Met het oog op de didactische volledigheid van zijn overzicht liet hij ook antieke instrumenten namaken. Wereldwijd wordt deze verzameling nog altijd beschouwd als een belangrijke bron. Het museum fungeert als 'custos' (bewaarder) van deze collectie, die door Deneffe aan de universiteit werd geschonken.

 

In 1890 werd J. Van Biervliet (1859-1945) aangesteld tot hoogleraar in het toen nieuwe vak psychologie. Het was de pionierstijd van de wetenschappelijke psychologie. Hij stichtte meteen het laboratorium voor experimentele psychologie - het eerste in België - en verzamelde apparatuur voor de kwantitatieve studie van de zintuiglijke waarneming, het reactievermogen van mensen, de aandacht, het meten van het geheugen en de spieractiviteit. De verzameling telt een vijftigtal types van toestellen.

 

Een andere reeks toestellen toont hoe men in de negentiende eeuw, eerst in Europese laboratoria en vervolgens in de geneeskundige praktijk, instrumenten ontwikkelde om de bloeddruk te kunnen meten. Deze onmisbare handeling bij het geneeskundig onderzoek werd pas begin twintigste eeuw een feit.

 

Opmerkelijk is het schilderij van Norbert Sauvage over de anatomische schouwing die stadsdokter Jan Palfyn in 1703 uitvoerde op een Siamese tweeling die in Gent was geboren en daags na de geboorte overleed. Een zeldzaam historisch document.

 

 

DE IJZEREN HANDEN VAN JAN PALFYN

 

Is chirurgijn-heelmeester Jan Palfyn (1650-1730) de uitvinder van de verlostang - zijn 'ijzeren handen' - die talloze kraamvrouwen en borelingen heeft gered? Nee. Verlostangen bestonden al in sommige artsenfamilies, onder meer in Engeland en Nederland, maar ze werden 'om het smeer' geheim gehouden. Palfyns grote verdienste is dat hij de tang in 1720-1721 bekendmaakte in de medische wereld.

 

 

WAT EEN MENS INSLIKT EN ANDERE RARITEITEN

 

Professor dr. F. Eeman (1898-1985) was een befaamd endoscopist die de gewoonte had de vreemde voorwerpen die hij uit de luchtwegen haalde, bij te houden. Het museum toont een kleine selectie van deze bizarre verzameling muntstukken, juwelen, sluitspelden, enz. Hij hield ook nauwkeurig bij om welk voorwerp het ging, wanneer hij het had verwijderd en hoe lang de ingreep had geduurd.

 

Hoe toon je studenten op aanschouwelijke wijze het uitzicht van huidaandoeningen? Aan het eind van de negentiende eeuw stond Jules Baretta (1834-1923) in Parijs bekend om zijn wassen modellen waar hij wereldwijd succes mee oogstte. Het museum bezit en toont Barettamodellen.

 


 

MUSEUM VOOR DE GESCHIEDENIS VAN DE WETENSCHAPPEN - INSTRUMENTEN VAN ONDERWIJS EN ONDERZOEK

 

 

Vanaf 1 oktober 2006 is professor Danny Segers verantwoordelijk voor dit museum dat dagelijks toegankelijk is. Hij volgt professor Jos Uyttenhove op die in 2001 de leiding van het museum op zich nam. Beiden zijn overtuigd van hun zaak: "Ik denk dat een museum als het onze een belangrijke taak heeft. Kijk, vernieuwing en evolutie berusten per definitie op bestaande inzichten. Kennis van de verworvenheden uit het verleden ligt aan de basis van de huidige evoluties. Enig inzicht in wat onze voorouders hebben bereikt, en hoe ze dat hebben gedaan, is dus nodig als je wil weten waar eigentijdse vernieuwingen vandaan komen. Dat verhaal willen wij vertellen, zowel met onze permanente collecties als met de tijdelijke tentoonstellingen die we brengen. Wij illustreren hier de geschiedenis van de wetenschappen aan de hand van wetenschappelijke instrumenten. Dat we bovendien verschillende disciplines, zoals fysica, chemie, wiskunde en biologie, samen belichten, maakt ook dat we kunnen laten zien wat de analogieën en wisselwerkingen zijn."

 

 

WETENSCHAP EN TECHNIEK

 

Begin 1948 besliste de Gentse gemeenteraad tot de oprichting van dit museum, dat dus aanvankelijk een stadsmuseum was en dat eerst in de Bijloke, en twee jaar later al in het Museum voor Schone Kunsten, was gehuisvest. De grote bezieler was ook toen al een hoogleraar: A.J.J. Van de Velde (1871-1956). De collectie kwam deels van de zolders en uit de kelders van de faculteitsgebouwen.

 

In 1964 werd het museum overgedragen aan de Rijksuniversiteit Gent en belandde het tot eind 1993 in een patriciërshuis - en later in twee panden - in het Gentse stadscentrum (Korte Meer). Tot 1984 nam professor ir. Jean-Baptist Quintyn twintig jaar lang het beheer waar van wat toen het Museum voor Wetenschap en Techniek heette. Hij werd opgevolgd door dr. Frans Lox (tot 1995). Deze academici zorgden voor het museum naast hun andere taken als onderzoeker en lesgever. Dat geldt ook voor hun opvolgers: professor M. Dorikens (tot 2001), professor J. Uyttenhove (tot september 2006) en de huidige directeur, professor Danny Segers.

 

 

INSTRUMENTENPATRIMONIUM

 

Het museum focust sinds 1995 binnen het brede begrip 'de geschiedenis van de wetenschappen' op de geschiedenis van de wetenschappelijke instrumenten, in de verschillende disciplines. De collectie telt ongeveer 5.000 stukken, waarvan er ongeveer 850 permanent worden tentoongesteld. Ze wordt actief uitgebreid. Kern van de verzameling zijn de instrumenten die aan de Gentse universiteit werden gebruikt in het onderwijs en onderzoek, van bij haar oprichting in 1817 tot aan het eind van de twintigste eeuw. Eigenlijk kun je zeggen dat in het museum het universitaire instrumentenpatrimonium wordt bewaard en getoond. De jongste jaren werd de vaste opstelling onder meer uitgebreid met een verzameling wetenschappelijke instrumenten uit de tweede helft van de twintigste eeuw en met de prachtige verzameling historische microscopen van dr. Henri Van Heurck.

 

Het museum ziet in zijn collectie instrumenten vier grote groepen:

  1. instrumenten voor routinemetingen die binnen het bereik van iedereen liggen: microscopen, voltmeters, densimeters... ;
  2. instrumenten om in het onderwijs basisprincipes mee te demonstreren;
  3. instrumenten die in het onderzoek dienst deden, waaronder prototypes en instrumenten van gerenommeerde instrumentenmakers;
  4. instrumenten die met een persoonlijkheid verbonden zijn. De namen die in dit verband vallen zijn: Joseph Plateau, Leo Baekeland, Friedrich August Kekulé, Jules Emile Verschaffelt en Desiré Van Monckhoven.

 

 

FRIEDRICH KEKULÉ, JOSEPH PLATEAU EN HENRI VAN HEURCK

 

Een opmerkelijk collectiestuk is de tafel van Friedrich Kekulé (1829-1896), de grote Duitse chemicus die in 1865 de ringstructuur van benzeen ontdekte. In die periode was hij in Gent hoogleraar (1858 tot 1867). Dankzij de uitgebreide kredieten die hem werden toegekend, kon hij een heel nieuw labo ontwerpen en laten uitvoeren. Zijn ontdekking lag aan de basis van de industriële fabricatie van kleurstoffen en de ontwikkeling van de Duitse chemische industrie. De vondst van Kekulé was sensationeel en maakte van Gent een aantrekkingspool voor chemici. Jammer genoeg verliet hij de stad twee jaar later, om in te gaan op een aanbod uit Bonn.

 

Joseph Plateau (1801-1883), de man die zijn naam gaf aan de bekende filmprijzen, was hoogleraar aan de Gentse universiteit. Behalve een schitterend docent was hij ook een geboren experimentator. Een gedeelte van zijn omvangrijke instrumentarium bleef bewaard en heeft betrekking op zijn twee onderzoeksterreinen: de nawerking van lichtindrukken op het netvlies (waarom vormt regen evenwijdige strepen en zien we geen opeenvolging van vallende druppels?) en experimenten over oppervlaktespanning (hoe gedragen vloeistoffen zich als je ze aan de zwaartekracht onttrekt?). Het eerste onderzoek zal van grote betekenis zijn voor het ontstaan van de cinematografie. Plateau ontwikkelde daartoe allerlei toestellen om optische illusies op te wekken, zoals de phenakistiscoop, een instrument dat dezelfde illusie wekt als in de bioscoop: dat het beeld beweegt, en niet de filmstrook. Dat deed hij in de jaren 1830. Een van de drama's van zijn leven manifesteerde zich vanaf 1843: Plateau werd geleidelijk aan blind.

 

De collectie van dr. Henri Van Heurck (1838-1909) is een bruikleen van de Stad Antwerpen. Opmerkelijk zijn de verzameling historische microscopen en optische apparaten - die is van Europees niveau - en de zeer vroege opnames met X-stralen, waarschijnlijk de oudste die in België zijn gemaakt, enkele maanden na Röntgens ontdekking. Van Heurck kocht microscopen bij de grootste instrumentmakers van zijn tijd en ging ook op zoek naar oudere modellen. Erg bijzonder is de - waarschijnlijk originele - Van Leeuwenhoek (1632-1723) microscoop van rond het jaar 1665.

 

 

ZON OF ZIEKTE?

 

"Joseph Plateau werd vanaf 1843 blind door voor een van zijn vele experimenten vijfentwintig seconden lang in de zon te kijken." Zo staat het vaak te lezen in teksten over hem. Maar het klopt niet. In 2001 kwam professor J.J. De Laey (UZ Gent) tot de conclusie dat Plateau blind is geworden ten gevolge van de chronische oogziekte uveïtis. Deze aandoening is geen gevolg van het gevaarlijke zonne-experiment bijna 15 jaar eerder.

 


 

MUSEUM VOOR DIERKUNDE - OPGEZET DOOR EEN ZOÖLOOG-ANATOOM

 

 

Of ik het gastenboek wil tekenen, is de eerste vraag van conservator en drijvende museumkracht Dominick Verschelde, de allereerste voltijdse conservator van een universitaire museale collectie in Vlaanderen. Mijn naam staat voortaan in het Gulden Museumboek te pronken in het gezelschap van Sir David Attenborough en prins Laurent. Het is een verzoek dat deze gedreven bioloog-conservator tekent: voor Verschelde hangt het bestaansrecht van alle universitaire musea over heel de wereld, ook het zijne, af van de betrokkenheid van zoveel mogelijk mensen, binnen en buiten de universiteit. Belangstelling en betrokkenheid is hét wapen tegen vooroordelen en de onverschilligheid die als academisch erfgoedzorger wel eens je deel zijn. Maar dat laatste evolueert volgens Verschelde de jongste jaren sterk ten goede, zelfs op wereldschaal. Verschelde kan het weten, want hij is ook een erg actief lid van UMAC (University Museums and Collections), het subcomité van ICOM (International Council of Museums) dat over universitaire museumcollecties gaat. Belangstelling en betrokkenheid moet je verdienen, elke dag.

 

 

BIODIVERSITEIT

 

Het ontstaan van dit museum heeft alles te maken met de wetgeving van Willem I en zijn Règlement sur l'organisation de l'enseignement supérieur dans les provinces méridionales du royaume des Pays-Bas uit 1816. Elke universiteit moest voor haar onderwijs in de natuurlijke historie, en met name van de zoölogie, beschikken over "un cabinet pour l'histoire naturelle des animaux et pour leur anatomie comparée". De oude pedagogische gedachte daarachter was dat aanschouwelijk onderwijs aan de hand van een wetenschappelijke collectie de boeken- en ex cathedra-wijsheid moest aanvullen. De allereerste Gentse hoogleraar in de zoölogie, vergelijkende anatomie en plantkunde, professor F.P. Cassel, kreeg met dat doel een som geld om een verzameling aan te kopen. In 1818, ter gelegenheid van hun eerste jaarverslag, meldden de professoren de aanschaf van een eerste natuurhistorische collectie.

 

De studie-en onderwijsverzameling valt tot op vandaag onder de verantwoordelijkheid van de opeenvolgende Gentse hoogleraren in de zoölogie, die er directeur van waren en er elk hun stempel op drukten. Het huidige museum kwam in grote lijnen tot stand onder professor Felix Plateau (1841-1911), een zoöloog-anatoom die de twee bestaande collecties zoölogie en vergelijkende anatomie verenigde. Ook Plateau vond dat je niet alles uit boeken kon leren en the real thing nodig had, de motivatie achter veel wetenschappelijke collecties. Van erfgoeddenken was toen nog weinig sprake: de collecties waren in de eerste plaats utilitair. Rond 1900 telde de verzameling ongeveer 25.000 stuks. In de loop van de twintigste eeuw breidde ze zich nog uit, maar onder meer tijdens de twee bezettingen ging er ook veel verloren. Na de Tweede Wereldoorlog leidde ze tot in de jaren 1960 een sluimerend bestaan.

 

De collectie opgezette dieren en dierenpreparaten, ongeveer 30.000 stuks groot, behoort op Europees niveau niet tot de omvangrijkste, maar ze is onder meer belangrijk omdat de (bio)diversiteit zo groot is. Eén verdieping van het museum is voorbehouden voor de ongewervelde dieren, de tweede voor de gewervelde dieren en de collectie vergelijkende anatomie. Die laatste is volgens de conservator uniek en vind je doorgaans niet in andere musea.

 

 

BUIDELWOLF, EMBRYO S, MEDINAWORM

 

De Tasmaanse buidelwolf is sinds 1933 uitgestorven in het wild en werd in 1936 officieel beschermd, het jaar dat ook het laatste levende exemplaar in gevangenschap stierf. Er zijn nog maar weinig intacte opgezette exemplaren van. Een ervan staat in het Gentse Museum voor Dierkunde. De Australisch-Aziatische collectie bevat nog meer zeer zeldzame stukken: onder andere de buidelkat en buidelrat, de buidelduivel bij de zoogdieren, en de uitgestorven Javaanse lelkieviet bij de vogels.

 

Historisch opmerkelijk zijn de originele skeletten van dieren uit de Gentse dierentuin, die in 1904 werd opgedoekt: er zijn de skeletten van struisvogels, lama's en hyena, en er zijn vooral enkele halswervels van de beroemde olifant Betsie.

 

Ook de Zieglercollectie is van historisch belang. Friedrich Ziegler (Duitsland, 1860-1936) werkte vanaf 1883 in het familiebedrijf van zijn vader, dat wassen modellen van dierlijke preparaten maakte. Hij maakte modellen van de embryologische ontwikkeling van diverse diergroepen en van de ontwikkeling van organen. Rond 1900 gebruikte iedere universiteit over heel de wereld Zieglermodellen bij het onderwijs in de embryologie en anatomie. In het museum staat een uitgebreide collectie Zieglermodellen, sommige nog in hun originele doosjes.

 

Vermeldenswaard bij de ongewervelden is de guinea- of medinaworm. Deze onderhuidse parasitaire worm is een door onze hedendaagse hygiëne en geneeskunde met uitroeiing bedreigde diersoort. Hij ligt aan de oorsprong van het aesculaapteken, het symbool van de geneeskunde.

 


 

ONTDEKT IN DE HANDSCHRIFTENZAAL DE PIRANESI-COLLECTIE

 

 

De etser en tekenaar, archeoloog en architect Giovanni Battista Piranesi is geboren in 1720 bij Venetië, als zoon van een meestermetselaar. Hij reisde in 1740 voor het eerst naar Rome in het gevolg van de ambassadeur van de Republiek bij de nieuwe paus Benedictus XIV. In deze stad, waar hij met slechts enkele onderbrekingen zou wonen en werken tot aan zijn dood in 1778, ging hij onder meer in de leer bij de veduta-etser Giuseppe Vasi, en ontdekte hij ook het onderwerp waaraan hij zijn leven zou wijden: de grootheid van Rome.

 

 

VERDEDIGER VAN DE ROMEINSE ZAAK

 

Het grafische werk van Piranesi, hoe breed en verscheiden ook, vormt een samenhangend geheel, waarbinnen drie grote groepen onderscheiden kunnen worden. Vooreerst zijn er de serie stadszichten van Rome en omgeving, met de belangrijke reeks van 135 stadszichten of vedute op groot formaat, die Piranesi gemaakt heeft vanaf het midden van de jaren 1740 tot aan zijn dood. Deze vedute van het moderne - dus barokke - en antieke Rome, eerst los verkocht maar aan het eind van zijn leven en postuum als verzameling uitgegeven, hebben het achttiende-eeuwse beeld van Rome bepaald.

 

In Rome is Piranesi terechtgekomen in een internationaal milieu van architecten, oudheidkundigen en archeologen, en onderhield hij nauwe contacten met de bursalen van de Académie de France en de entourage van de opeenvolgende pausen. Door zijn archeologische studies en polemische interventies werd hij een van de meest bekende en belangrijkste intellectuele figuren van het kosmopolitische achttiende-eeuwse Rome. Zijn basiswerk, later aangevuld met soortgelijke kleinere studies, is zijn vierdelige Le Antichità Romane (1756). Toen enkele jaren na deze publicatie de algemene discussie is losgebarsten over de waarde en originaliteit van de Romeinse (bouw)kunst ten opzichte van de Griekse, heeft Piranesi de verdediging van de Romeinse zaak opgenomen. Vooreerst met zijn Della Magnificenza ed Architettura de' Romani (1761), waarin hij de zelfstandigheid en de veelzijdigheid van de Romeinse architectuur aantoonde, maar ook met kleine polemische geschriften, zoals Parere su 'l Architettura (1765) waarin hij, tegen de kampioenen van het Griekse voorbeeld in, het principe van de vrijheid van de kunstenaar verdedigt: Piranesi legt de waarde en schoonheid van architectuur in haar grootheid en rijkdom en niet in het volgen van proportieregels en de architecturale ordeschema's.

 

 

VAZEN EN VERBEELDING

 

In de laatste decennia van zijn leven, vanaf 1768, heeft hij ook gewerkt aan een reeks prenten, tien jaar later verzameld als Vasi, candelabri,.. Het gaat om voorstellingen van sierobjecten, voornamelijk uit zijn eigen collectie en uit de stock die hij vooral verkocht aan Britse collectioneurs op Grand Tour. Deze prentenreeks heeft het beginnende neoclassicisme geïnspireerd.

 

De derde groep van werken zijn de producten van Piranesi's inventiviteit en verbeelding. Imaginaire architecturen en Grotteschi in zijn jeugd; vrije ontwerpen van meubels, horloges en vooral schouwmantels, eclectisch samengesteld uit antieke elementen, aan het eind van zijn leven (Diverse Maniere d'adornare i cammini, 1769); en vooral de 14 Carceri of imaginaire kerkerzichten uit 1749, later herwerkt en aangevuld tot 16 platen, die van de negentiende eeuw tot vandaag zeer vele kunstenaars geïnspireerd hebben, en zijn postume faam bij een breed publiek hebben gevestigd.

 

De Calcografia Piranesi is na de dood van hun vader overgenomen door de zonen Francesco en Pietro Piranesi, die aan het eind van de eeuw het bedrijf hebben overgebracht naar Parijs. Gepatroneerd door de Bonaparte's hebben de broers Piranesi daar tussen 1800 en 1807 het verzameld werk van Giovanni Battista uitgegeven als eerste deel van een gepland enorm publicatieproject over de Latijnse oudheid. Deze uitgave is de zogenaamde 'eerste Parijse editie'. Na het commercieel failliet en de dood van Francesco in 1810, zijn de koperplaten in beslag genomen en verspreid. In 1830 heeft de academische uitgever Firmin-Didot de platen hernummerd en opnieuw uitgegeven - dit is de zogenaamde 'tweede' of 'late Parijse editie' - tot in 1839 paus Gregorius XVI de platen liet aankopen en overbrengen naar Rome. Ze worden er tot vandaag bewaard in de Calcografia Nazionale.

 

 

EEN GESCHENK VAN BONAPARTE?

 

De Bibliotheek van de Universiteit Gent bezit een grote, goed bewaarde en waardevolle Piranesi-collectie die nog niet bestudeerd en gepubliceerd of getoond is. De kern van de collectie is een zeer mooie set van de 'eerste Parijse editie', met de 25 volumes van het Verzameld Werk gebonden in 29 banden. Waarschijnlijk - maar nog niet geheel zeker - gaat het hier om de set Traité des arts d'architecture, peinture et sculpture, Rome, 1756-1800, 29 in fol. die Joseph Bonaparte, later koning van Napels, aan de 'Boekerij' van de stad heeft geschonken bij zijn bezoek in 1803. Alleen al met deze collectie bezit de Universiteit minstens één exemplaar van ca. 950 van de in totaal 1028 catalogusnummers van Giovanni Battista Piranesi.

 

Daarnaast bewaart de Bibliotheek bijkomende exemplaren, eveneens 'Eerste Parijse editie' of ouder, van de prenten uit het belangrijke 'Volume 8' (met de vroege architectuurfantasieën, de Grotteschi, de Carceri... ), van de Cammini, en van de Zuilen van Antoninus en Trajanus. Bijzonder zijn drie zeldzame verkoopscatalogi van de Chalcographie Piranèse uit 1800 en 1804, met één belangrijk exemplaar waarin het grote publicatieprogramma wordt voorgesteld waarin Piranesi's werk werd ingeschakeld. De bibliotheek van de Vakgroep Architectuur bewaart nog ingelijste exemplaren van het plan van het Campo Marzio en de Zuil van Trajanus, en beschikt over een uitgebreide verzameling van secundaire literatuur.

 

 

EEN TENTOONSTELLING

 

In samenwerking met het Museum voor Schone Kunsten van de stad Gent plant de Universiteit een tentoonstelling met de Piranesi-collectie in 2008, wetenschappelijk voorbereid door onderzoekers van de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw. De tentoonstelling zal, naast de 29 volumes met het Verzameld Werk, ongeveer 150 originele etsen van Giovanni Battista Piranesi kunnen tonen. Het eerste opzet van de tentoonstelling is prachtig werk laten zien. Maar de tentoonstelling zal dieper ingaan op thema's die de beeldstrategieën en de bijzondere visuele kwaliteiten en dramatische kracht van Piranesi's werk in het licht stellen. Aan bod komen onder meer: de relatie van Piranesi's vedute tot de traditie van de Romeinse reisgidsen, de vernieuwende compositie van zijn archeologische prenten, en de werking van de staffage of van de aanwezigheid van figuren in de voorstellingen.

 

Bart Verschaffel, Vakgroep Architectuur & Stedenbouw, Universiteit Gent

 

 


AUTEUR

 

Patrick De Rynck (1963) is redacteur-publicist. Dat betekent in zijn geval dat hij teksten schrijft over alles wat van ver of nabij met cultureel erfgoed te maken heeft. Hij werkt mee aan Open Monumentendag en Erfgoeddag, schreef zo'n veertig audiotours voor vaste museumcollecties en tentoonstellingen in Vlaanderen en Nederland, en werkt voor individuele musea, uitgevers en (erfgoed)instellingen. Patrick De Rynck schreef de teksten voor De Museumgids Vlaanderen & Brussel, een uitgave van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. Verder is hij ook auteur en/of vertaler van een dikke tien boeken die alles te maken hebben met de klassieke oudheid, van Alexander de Grote tot de Styx.

 


ILLUSTRATIES

Matheus Ignatius van Bree, De plechtige installatie van de Universiteit van Gent door de prins van Oranje in de troonzaal van het stadhuis, 1817-1830
paneel, 52 x 66 cm, Rijksmuseum, Amsterdam

Het Pand biedt onderdak aan drie universitaire collecties

Binnenzijde van een roodfigurige Attische drinkschaal of kylix met voorstelling van atleten, vijfde eeuw v C

Replica van een schedel uit het grafveld van El Argar, Iberisch schiereiland, vroege bronstijd, derde millenium v C

Egyptische canopevaas in albast, detail van het deksel

Kabinetopstelling van het Oudheidkundig Museum in Het Pand

Dr. Patrick Monsieur en een Attische kylix van het Oudheidkundig Museum

Kurkmaquette uit de achttiende eeuw van het Pantheon te Rome

Antropomorf helmmasker, tatanua, Melanesië, Nieuw-Ierland
Hout, deksel van turboslak, vezels, rotan, boombast en polychromie, 29 x 40 x 23,5 cm

Professor Frans M. Olbrechts met drie Dan-'meisjes-jongleurs' in het dorp Man, 1938
Archief van het Etnografisch Museum, Antwerpen

Boomvarensculptuur, nenna, Vanuatu (voorheen Nieuwe Hebriden), eiland Ambrym
Boomvaren en klei, 180 x 46,5 cm

Voetsteun van een stelt, tapuva'e, Marquesas-eilanden
Hout, 34.5 x 6 cm

Borstsieraad, kapkap, Lavongai Tridacna-schelp
schildpadschaal, polydonta-slak, diam 5,3 cm

Masker, Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Sepik, dorp Singrin
Hout, rotan, vezels, coix-zaden, 28,8 x 10,2 cm

Voetsteun van een stelt, tapuva'e, Marquesas-eilanden Hout, 34,5 x 6 cm

Schortje, Nieuw-Guinea, Teluk Cenderawasih (Geelvinkbaai)
Glaskralen, vezels, katoen, 55 x 45,5 cm

Ganesha, de Hindoe-Javaanse god met olifantshoofd, Java
Andesiet of lavasteen, ca. 13de eeuw, 58 cm

Pauline van der Zee met een houten helmmasker, dudul, uit Nieuw-Ierland (Melanesië)

Het schilderij van Norbert Sauvage over de anatomische schouwing die stadsdokter Jan Palfyn in 1703 uitvoerde op een Siamese tweeling.

Jules Baretta oogstte succes met zijn wassen modellen van huidaandoeningen

Kymograaf voor de registratie van reactietijden, constructeur W Petzold, Leipzig, 60 x 37 x 17 cm

Werk en werkinstrumenten van chirurgijn Jan Palfyn

De tafel van Friedrich Kekulé (1829·1896), een befaamd Duits chemicus en professor in Gent

Professor Danny Segers met de fantascoop 'van jong meisje tot feeks'
Foto Saskia Vanderstichele

Zaalzicht van Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschap

Huismuis, Mus musculus, dissectie spijsverteringsstelsel

Felix Plateau (1841-1911), zoöloog-anatoom, ligt aan de basis van het huidige Museum voor Dierkunde

Opstelling van de skelettenverzameling in het Museum voor Dierkunde

Conservator Dominick Verschelde met de Medinaworm (Dracunculus medinensis)

Jong van een grijze meerkat Cercopithecus mitis

Hermelijn, wintervacht, Mustela erminea

Veduta del Sepolcro di Pisone Liciniano
405 x 605 mm, uit: Vedute di Roma (Ficacci/Taschen 943)

Sepolcro di Cecilia Metella
405 x 635 mm, uit: Vedute di Roma (Ficacci/Taschen 938)

Prospetto del Lastricato e de'margini dell'antica via Appia
300 x 230 mm, uit: Antichità d'Albano e di Castel Gandolfo (Ficacci/Taschen 586)

Carceri XIII, 2de staat
400 x 545 mm, uit: Invenzione Capric. Di Carceri (Ficacci/Taschen 122)

Pianta di ampio e magnifico Collegio
610 x 450 mm, uit: Opere Varie di Achittetura (Ficacci/Taschen 126)

Het Pand voor en na de restauratie


 

PRAKTISCH


(bijgewerkt eind 2013)

SAMENWERKINGSVERBAND GENTSE UNIVERSITAIRE MUSEA

Campus De Sterre- Krijgslaan 281, gebouw S30 - 9000 Gent
E-mail: MuseumCollections@UGent.be - Telefoon: 09 264.49.30 (intern 4930) - www.ugent.be/nl/univgent/collecties/museumcollecties

 

ARCHEOLOGISCHE VERZAMELINGEN OF HET OUDHEIDKUNDIG MUSEUM

Het museum is enkel toegankelijk voor groepen en op afspraak. Het museum neemt deel aan evenementen als Erfgoeddag en Open Monumentendag, en leent graag objecten uit voor tentoonstellingen. Het werkt onder meer nauw samen met het PAM in Velzeke.

Info: Het Pand, Onderbergen 1, 9000 Gent
Contact: Gentse Gidsen - Godshuizenlaan 2b, 9000 Gent - Tel: 09 233 07 72 - E-mail: info@gentsegidsen.be - Website : www.gentsegidsen.be
Publicaties: Er is een basisinventaris van de collectie en over veel van de belangrijke stukken is er wel al gepubliceerd, zij het in zeer verspreide slagorde en niet systematisch (tijdschriften, jaarboeken enz.).

Grote en kleine broers

In België: KMKG (Brussel), Bijlokemuseum (Gent), PAM Velzeke (Zottegem), Provinciaal Gallo-Romeins Museum (Tongeren), Stedelijk Museum Oud Hospitaal (Aalst), Museum Vleeshuis (Antwerpen)

In Europa: Rijksmuseum van Oudheden (Leiden)

 

DE ETNOGRAFISCHE VERZAMELINGEN 'EVUG'

De studenten van de opleiding Etnische Kunst werken met de collectie (o.m. conservatie, restauratie) en leidden tot enige tijd geleden bij gelegenheid het publiek rond in het museum. Het museum doet dus dienst in de opleiding. Dit museum is duidelijk geconcipieerd als een publieksmuseum dat ook door individuen kan worden bezocht, een ambitie die vooralsnog niet wordt waargemaakt: moderne vitrines, een indeling in thema's (oorlog, dagelijks leven, contact met de bovenwereld, sieraden en tooi, techniek,... ), foto's waarop de objecten in hun gebruikscontext te zien zijn, aangepaste teksten. Hoewel de voorwerpen in een museale context worden getoond, is de EVUG echter een gesloten collectie. Alleen bij evenementen zoals de Gentse Feesten, Gentse Kunstweek, Open Monumentendag, Wetenschapsdag, Erfgoeddag wordt geprobeerd de Etnografische Verzamelingen open te stellen voor (individueel) bezoek. Bezoek op aanvraag is ook mogelijk.

Info: Curator, Dr. Pauline van der Zee - Paulina.vanderZee@UGent.be - Tel. 09.264.83.26 - Het Pand Onderbergen 1, 9000 Gent - www.evug.be
Publicatie: Elze Bruyninx en Wilfried Van Damme, De etnografische verzamelingen van de Universiteit Gent, Oceanië, Snoeck-Ducaju, 1997 -Tweetalig (Engels/Nederlands). Dit moest het eerste volume worden van drie publicaties uit te brengen ook over de Afrika- en Amerika-collecties, maar dat plan werd vooralsnog bij gebrek aan middelen niet gerealiseerd.

Grote en kleine broers

In België: Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (Tervuren) - Etnografisch Museum (Antwerpen) - De etnografische collectie van de K.U.Leuven - Cultuurhuis De Scharbiellie in De Panne (een Borneo-en Nieuw-Guinea-collectie) - Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel (de collecties Polynesië en Micronesië)

In de buurlanden: Rijksmuseum voor Volkenkunde (Leiden) - Tropenmuseum (Amsterdam) - Musée du Quai Branly (Parijs) - Das Berliner Museum fur Völkerkunde (Berlijn)

In Europa: Museum für Völkerkunde (Wenen) - Pitt Rivers Museum (Oxford) - Museum der Kulturen (Basel)

In de wereld: Peabody Museum of Archeology and Ethnology, (Cambridge, USA) - Museu do Dundo (Dundo, Angola) - Waikato Museum of Art and History (Hamilton, Nieuw Zeeland) - Fiji Museum (Suva, Fiji)

 

MUSEUM VOOR DE GESCHIEDENIS VAN DE GENEESKUNDE

Het museum bevindt zich in het gerestaureerde oud-dominicanenklooster Het Pand, in het hart van de stad en vlak bij de middeleeuwse haven van Gent. Je wordt in het museum onthaald met een videovoorstelling van ca. 20 minuten die het onderwerp inleidt, van de oudheid tot de negentiende eeuw. Daarna begint de rondgang. De verzamelingen zijn opgesteld in een grote zaal op twee niveaus (met de collecties Deneffe en Van Biervliet) en in elf voormalige kloostercellen, met daarin per discipline instrumenten uit de heelkunde, algemene geneeskunde, verloskunde, anesthesie, psychiatrie, fysiologie, anatomie, enz. In de kleine cellen kunnen de groepen luisteraars-toeschouwers niet omvangrijk zijn, wat voor het museum het nadeel heeft dat er vaak meerdere gidsen moeten worden ingeschakeld. Voor de bezoekers biedt dit het voordeel dat er een intens direct contact is met de gids. Een begeleide rondleiding door de professoren-emeriti is een belevenis. In het museum komen , behalve de 'klassieke' culturele, sociaal maatschappelijke en professionele verenigingen, ook studerenden uit hogescholen, paramedische instituten en universiteiten over de vloer. De gidsen passen hun rondleiding uiteraard aan.

Bij het museum hoort een bibliotheek over de geschiedenis en de ethiek van de geneeskunde. Die is gevestigd in de biomedische bibliotheek op de campus van het Universitair Ziekenhuis en te consulteren via de ALEPH-catalogus van het webprogramma van de Universitaire Bibliotheek Gent.

Info: Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde, Het Pand, Onderbergen 1, 9000 Gent, Tel. 09.264.82.62 - www.ugent.be/ge/museum
Bezoek (1 ½ - 2 u) door groepen en individueel, uitsluitend na afspraak 3 weken op voorhand. Een audiovisuele inleiding en begeleiding zijn voorzien.
Publicatie: Het museum bestaat in 2006 vijftien jaar. Naar aanleiding van dat lustrum verscheen de brochure Stichting Jan Palfijn (1991-2006) een bilan

Grote en kleine broers

In België: Belgisch Museum voor Radiologie (Brussel) - Museum Dr. Guislain (Gent) - Geneeskundemuseum (Brussel) - Musée de l'Hôpital Notre-Dame à la Rose (Lessen)

In Europa: Museum Boerhaave (Leiden) - Musée de l'Histoire de la Médicine (Parijs) - Deutsches Medizin-historisches Museum (Ingolstadt) - The Wellcome Historical Medical Museum (Londen)

 

MUSEUM VOOR DE GESCHIEDENIS VAN DE WETENSCHAPPEN

Sinds 1995 bevindt het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen zich op de campus Wetenschappen aan de Sterre (Krijgslaan). Het is gevestigd in voormalige militaire loodsen, goed voor 440 m2 tentoonstellingsruimte en een depot. Sinds 1995 organiseerde het museum maar liefst 14 tijdelijke tentoonstellingen, een unicum in het wereldje van de universitaire musea. Enkele onderwerpen: Joseph Plateau, Einstein, Onzichtbare stralen, Microscopie. Bij de tentoonstellingen hoort meestal een catalogus en sinds 2004 een cd-rom met daarop de catalogustekst en illustraties. Gezien het onderwerp is enige voorkennis of minstens grote belangstelling aan te raden voor wie dit museum bezoekt. En let wel: dit is geen interactief doe- of hands on-centrum van het type Technopolis.

Info: Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen van de Universiteit Gent, Krijgslaan 281, Gebouw S30 Campus De Sterre, 9000 Gent - Tel. 09.264.49.30 - www.sciencemuseum.ugent.be
Het museum is geopend van maandag tot en met vrijdag, van 10 tot 12 en van 14 tot 17 uur - Geleide groepsbezoeken: op afspraak - Toegankelijk voor rolstoelgebruikers.
Publicaties: Artikels in talrijke nationale en internationale tijdschriften en boeken; laatste publicatie (2006) over Einstein's 'Maschinchen' in het American Journal of Physics; 11 catalogussen bij de tijdelijke tentoonstellingen en 3 bijbehorende cd's - In boekvorm: Maurice Dorikens, Joseph Plateau 1801-1883. Leven tussen Kunst en Wetenschap, 2001

Grote en kleine broers

In België: Technopolis (Mechelen) - Belgisch Museum voor Radiologie (Neder-Over-Heembeek)

In de buurlanden: Museum Boerhaave (Leiden) - Teylers (Haarlem) - Conservatoire National des Arts et Métiers (Parijs)

In Europa: Museo di Storia della Scienza (Firenze) - Whipple Museum (Cambridge, UK)

In de wereld: Harvard Collection of Historical Scientific Instruments (Cambridge, USA) - Smithsonian (Washington)

 

MUSEUM VOOR DIERKUNDE

Het museum bevindt zich in de twee kelderverdiepingen van het gebouw van de faculteit Wetenschappen in de Ledeganckstraat, vlak bij het Citadelpark. Aantrekkelijk kun je de omgeving en de Mewaf-kasten waarin een groot deel van de collectie wordt getoond, bezwaarlijk noemen. De collectie wordt nog gebruikt in de colleges, die dan in het museum plaatsvinden. Er zijn in het museum ook practica en er worden examens afgenomen. De profilering als museum voor een ruim publiek is recent. Op afspraak kunnen groepen in het museum terecht. Conservator-wetenschapper-gids Dominick Verschelde leidt de groepen rond in 'zijn' museum. Hij doet dat met een gedrevenheid en een kennis van zaken die van een bezoek een gebeurtenis maakt. Het museum neemt deel aan evenementen als Erfgoeddag, de Wetenschapsweek en is tijdens de Gentse Feesten dagelijks open (voor meer info zie ook de website).

Info: Museum voor Dierkunde, K.L Ledeganckstraat 35, 9000 Gent - Tel. 09.264.52.28 - www.museumvoordierkunde.ugent.be
Het Museum is steeds te bezichtigen door groepen op afspraak.
Tip! Vlak bij het museum ligt de Universitaire Plantentuin, opgericht in 1797, nog vóór in 1817 de Gentse universiteit het licht zag. De tuin bevond zich aanvankelijk in de kruidentuin van de Baudeloo-abdij en verhuisde pas begin twintigste eeuw naar zijn huidige stek bij het Citadelpark.

Grote en kleine broers

In België: Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (Brussel) - Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (Tervuren) - De natuurhistorische collectie van de Universiteit van Luik - De Universitaire Plantentuin (Gent)

In de buurlanden: Naturalis (Nederland) - Musée National d'Histoire Naturelle (Parijs)

In Europa: Natural History Museum (Londen) - Natural History Museum of Florence (Italië)

In de wereld: Het nieuwe universiteitsmuseum Sam Noble Oklahoma Museum of Natural History, Oklahoma (VS) - Het universiteitsmuseum Museum Gustavianum (Uppsala, Zweden)