U bent hier

Abdijmuseum Ten Duinen 1138

Abdijmuseum Ten Duinen

 


INHOUD:

Abdijmuseum Ten Duinen 1138

Harry van Royen

 

  • Het museumgebouw en de site
  • Het Vlaams-Nederlands Cisterciënzercharter (VNC)
  • Het museum
  • Pieter Pourbus - het beeld van de abdij
  • Een dag in het leven van Joke
  • De museumcollectie
  • Museumjaarboek met internationale roeping ­ Novi Monasterii
  • Naar Brugge
  • De site
  • De museumomgeving  
  • Zilvercollectie Maldague
  • De Familiares de Dunis vzw, de Vriendenvereniging van Ten Duinen 1138 

 

Het museumgebouw en de site

 

 

Het Abdijmuseum Ten Duinen 1138 staat op de plaats van het vroegere neerhof van de cisterciënzerabdij Ten Duinen. Omstreeks 1107 vestigde de kluizenaar Ligerius zich in de nabijgelegen duinen. De groep die zich rond hem verzamelde, diende georganiseerd te worden. Omstreeks 1122 zou de groep als monnikengemeenschap zijn gaan leven naar de regel van Benedictus volgens de hervorming van Savigny, evenwel zonder tot die Orde toe te treden. In 1128 kreeg de gemeenschap zijn eerste schenking van de graaf van Vlaanderen. Het monastieke verhaal kon dan goed en wel beginnen. De gemeenschap zocht onder leiding van Fulco, monnik afkomstig van de abdij van Fontmorigny, een hervormde benedictijnerabdij volgens het model van Savigny, verder naar een zinvolle monastieke regel en vond die bij de Orde van Cïteaux. In 1138 kwam van de abdij van Clairvaux een nieuwe abt toe, die de overgang naar de nieuwe Orde bezegelde. Als dochter van Clairvaux werd de abdij van Onze-Lieve-Vrouw ten Duinen de eerste mannelijke cisterciënzerabdij van het graafschap Vlaanderen. Aan het actieve abdijverhaal op de huidige site kwam in 1578 een einde. Het protestantse kasselrijbestuur van Veurne confisqueerde niet alleen alle religieuze bezittingen, maar beval ook de onmiddellijke afbraak. De interessantste bouwmaterialen als dakpannen, leien, hout, glas-in-loodramen en de loden waterleidingsbuizen werden het eerst ontmanteld. Wanneer de rooms-katholieke reconquista afgerond was, bleef er alleen nog een steenklamp over. De stenen werden in de loop van de zeventiende eeuw door de monniken verder te gelde gemaakt of zelf gebruikt. Wanneer omstreeks 1700 de wandelende duin Hoge Blekker zich boven de site bevond, was het einde definitief.

 

Pas in 1949 komt de Duinenabdij letterlijk terug boven zand.

 

De aandacht en de toeristische toeloop vragen een verderzetting van de opgravingen.

 

De archeologische vondsten dienen ook ter plaatse bewaard en tentoongesteld te kunnen worden. De ontsluiting van de wijk Maertenoom zou hier perfect in passen, evenals het halfeeuwfeest van de badplaatsen Koksijde-Bad en Sint-Idesbald. In 1954 werd ter gelegenheid van deze viering een grootse toeristische tentoonstelling georganiseerd. In het zomerseizoen werden tussen de heropgerichte Zuid-Abdijmolen en de Zeedijk, langsheen de net aangelegde wegen, paviljoenen en loodsen neergezet.

 

De belangrijkste attractiepool was de deels opgegraven abdijkerk. Tegelijkertijd konden de bezoekers eveneens het gelijkvloers van het in aanbouw zijnde museum bezoeken. De belangrijkste vondsten van de opgravingen tussen 1949 en 1953 werden er tentoongesteld.

 

De volgende jaren werd het museumgebouw verder uitgebreid. In de jaren zestig kwam er nog een vergroting, maar de initiële plannen voor een abdijreconstructie met een centrale pandgang werden opgeborgen. Het museum en de site bleven verder teren op de gouden jaren vijftig en zestig. In de jaren zeventig en tachtig werden de eerste restauraties van de ruïnes uitgevoerd. Eind jaren tachtig werd een deel van het oorspronkelijk archeologisch onderzoek gerevalueerd. De bouwgeschiedenis van het abtskwartier werd op een gedegen wetenschappelijke wijze geanalyseerd. In 1993 kon de thematentoonstelling rond het latrinair gebeuren nog rekenen op een massale belangstelling, maar dit kon het tij van de langzame aftakeling van site en de totale veroudering van de museumopstelling niet keren.

 

Met het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke en plannen voor een natuureducatief centrum in De Panne was het duidelijk dat flora en fauna van de Westkust op andere sites beter tot hun recht kwamen. Verdere specialisatie in het basisgegeven van de site drong zich op. In 1998 gaf het gemeentebestuur het Nieuwpoortse erfgoedprojectbureau Monument in Ontwikkeling de opdracht om zowel de ruïnes als het museum te revaloriseren.

 

Hierbij was het de duidelijke bedoeling om zowel traditionele als moderne presentatietechnieken te gebruiken. Wandteksten worden dan ook verlucht met algemene iconografie over het monnikenleven, aangevuld met archeologica in tentoonstellingskasten en touch-screens met bijkomende informatie. Filmbeelden en hands-on, samen met auditieve informatiedragers dragen bij tot de attractiviteit van de site. Alle informatie wordt naast het Nederlands in het Frans, Duits en Engels gebracht.

 

In 2002 werden de verbouwingswerken aan het oude museumgebouw opgestart. Het totaalproject van het erfgoedprojectbureau Monument in Ontwikkeling werd in realiteit gebracht en op 6 juni 2003 voor het publiek geopend. Het oude gebouw bleef staan, maar werd drastisch heringericht en uitgebreid. Een nieuw bezoekerscentrum fungeert als onafhankelijke ontvangstruimte met toeristische informatie over de Ijzervallei in de Franse en de Vlaamse Westhoek. Het is tegelijkertijd een sas naar het eigenlijke museum en naar het park met de blootgelegde funderingen van de vroegere abdij. Een aantal nutsvoorzieningen voor de bezoekers en het technisch beheer van de archeologische site zijn er in de kelders ondergebracht.

 


 

Het Vlaams-Nederlands Cisterciënzerscharter  (VNC)

 

Op 11 mei 2002 werd te Sint-Niklaas het Vlaams-Nederlands Cisterciënzercharter vzw (VNC) opgericht door acht vertegenwoordigers van cistersciënzererfgoed in Vlaanderen en Nederland : uit Koksijde (Ten Duinen), Lissewege (Ter Doest), Sint-Niklaas (Boudeloo), Sint-Katelijne-Waver (Roosendael), Hulst (Refuge Ten Duinen), Loosduinen (Loosduinen) en Aduard (Aduard).

 

Binnen het ruimer kader van het Charte Européenne des Abayes et Sites Cisterciens  wil dit Vlaams-Nederlands netwerk van beheerders van cisterciënzererfgoed, zowel roerend als onroerend, historisch als hedendaags, samenwerking en verder onderzoek stimuleren. Via een halfjaarlijkse overlegvergadering kunnen ervaringen op alle terreinen worden uitgewisseld.

 

De stichting werd voorbereid vanuit het Abdijmuseum Ten Duinen 1138, dat ook als secretariaat fungeert.

 

Informatie kan bekomen worden via: Vlaams-Nederlands Ciserciënzercharter (VNC), p.a. Koninklijke Prinslaan 8, B-8670 koksijde.

 


 

Het museum

 

 

Het nieuwe abdijmuseum focust nu volledig op het thema van de geschiedenis van de Orde van Cïteaux in de Middeleeuwen. Hierbij komen zowel algemene informatie als details over de Orde in de Lage Landen en in de specifieke abdijsite Ten Duinen aan de orde.

 

Als het ware via een sas die als teletijdmachine dienst doet, komt men in de Middeleeuwen.

 

Een tempelier maant de bezoekers aan door te lopen. Deze brave jongen legt de link naar de strijdlustige bekeringsdrift van de elfde-twaalfde eeuw en alvast naar de cisterciënzerabt Bernard van Clairvaux, die de leefregel van de Tempeliers in de twaalfde eeuw naar cisterciënzerbeeld uitschreef. In de vroege veertiende eeuw fnuikten de paus en de Franse koning Filips de Schone deze militaire monnikenorde. Wat restte van de Tempeliers werd in het Iberisch schiereiland opgenomen in de militaire cisterciënzerorde van Calatrava.

 

De Middeleeuwen worden kort geduid volgens de drie standen, met daar bovenop ook aandacht voor de vierde stand, de vrouw en het kind in deze woelige periode.

 

Aangezien de derde stand ook een amalgaam is, worden de belangrijke delen afzonderlijk geduid.

 

De clerus had als stand een belangrijke plaats in de middeleeuwse samenleving. Het onderscheid tussen reguliere en seculiere geestelijkheid wordt dan ook geïllustreerd in de eerstvolgende ruimte. In de vitrine wordt de eenvoud van de regulieren geconfronteerd met de rijkdom en pracht van de seculiere kerkgewaden.

 

Een bijzondere plaats wordt ingenomen door het zeventiende-eeuwse monnikenkapje van de Zalige abt Idesbald. Toen hij in 1625 voor de derde keer ongeschonden werd opgegraven om getoond te worden aan aartshertogin Isabella, werd hij volgens de toenmalige abdijmode herkleed in het zwart.

 

De oorspronkelijke kleur van de Orde is natuurlijk wit, een teken van armoede, onthechting van de aardse wereld en een duidelijk statement tegen het zwart van de benedictijnen en hun zwakke interpretatie van de regel van Benedictus. Deze regel voor het monastiek leven stelt duidelijk een evenwicht in tussen bidden, werken en rust. Wanneer de Orde van Cïteaux in 1098 start in de buurt van Dijon, wil men in armoede aan zijn godsvrucht werken. Tienden, slaven en andere inkomsten die niet via eigen handenarbeid verworven werden, dienden gebannen. De monniken bewerken dan ook het land.

 

De Orde, die in 1098 aarzelend van start gaat, kent na 1113 een steeds grotere bloei. De intrede van Bernard van Fontaine is daar na 1115 niet vreemd aan. Op familiegrond kon hij toen de abdij van Cïteaux stichten en dankzij zijn afkomst, gelieerd aan het hertogelijk huis van Bourgondië, groeit het aantal dochterstichtingen van Clairvaux zienderogen.

 

De Duinenabdij wordt in 1138 een dochter van Clairvaux. In 1174 krijgt de Duinenabdij een eigen dochterstichting, de abdij Ter Doest te Lissewege, die vanaf 1175 bezet wordt.

 

De andere cisterciënzerabdij langs de Vlaamse kust, te Clairmarais bij Sint-Omaars, is een rechtstreekse dochter van Clairvaux. De eerste abt en monniken worden in 1140 door Bernard van Clairvaux naar de moerasstreek bij het grafelijk kasteel van Rihoult gestuurd. Andere nieuwe stichtingen en overnames volgden. In 1147 werd de Orde van Savigny geïntegreerd in de Orde van Cïteaux. Deze rijkheid aan stichtingen doorheen Europa, met in totaal een 650 mannelijke sites en meer dan duizend monialensites, wordt op een Europese wandkaart getoond.

 

Een selectie van 248 contactpunten laat Europa en vooral België zwaar oplichten. Waar in de rest van Europa slechts een monialenabdij getoond wordt, namelijk Belval in Noord-Frankrijk, worden in België alle sites van mannen- en vrouwenabdijen van de Orde van Cïteaux weergegeven, evenals die van de hedendaagse levende gemeenschappen van cisterciënzers van de gewone observantie, cisterciënzers van de strikte observantie (trappisten), de bernardinnen (van Oudenaarde) en de cisterciënzerinnen van de Bijloke.

 


 

Cisterciënzererfgoed in de Lage Landen

 

De 12de-13de eeuwse groei van de cisterciënzerstichtingen in de Lage Landen werd in de 14de eeuw gestopt door de gewijzigde socio-economische en culturele omstandigheden. De groei van de stedelijke economie, de gevolgen van de pest en de opkomst van de stedelijke bedelorden (franciscanen en dominicanen) waren goed voor de verkoop van de landbouwproducten, maar deden het aantal roepingen tanen en de schenkingen opdrogen. Nieuwe stichtingen werden dan ook hoogst uitzonderlijk. Een van de uitzonderingen betrof de stichting van de Sint-Salvatorabdij in Antwerpen door handelaar Pieter Pot in 1446.

 

De mannenstichtingen van de eerste eeuwen van de Orde volgden in heel Europa het Bernardijnse bouwmodel en zijn daardoor gestandaardiseerde structuren die overal herkenbaar zijn. Lokale omstandigheden konden zorgen voor kleine aanpassingen, evenwel zonder die herkenbaarheid te schaden. De meeste mannenstichtingen bleven op het platteland en werden pas na 1796 zwaar geteisterd door de afbraak na de confiscatie door de Franse staat. Afhankelijk van de verkoop van alle bouwmaterialen bleven er nog min of meer imposante ruïnes over. De site van Villers (Waals-Brabant) spant op dat vlak de kroon, gevolgd door de minder bekende ruïnes van Aulne (Henegouwen). De ruïnes van Orval (Luxemburg) zijn beperkter in omvang, maar hebben veel bijval doordat net naast de oude site de nieuwe abdij gebouwd werd.

 

Als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd vooral in het graafschap Vlaanderen de stadsvlucht gestimuleerd. Niet alleen de cisterciënzermonialen zochten de bescherming van de stadsmuren, ook de monniken volgden dat voorbeeld. Op die manier ontstond er een concentratie van cisterciënzerabdijen in steden als Brugge en Gent. De abdijsites op het platteland werden veelal afgebroken in de loop van de 17de eeuw of gereduceerd tot een "hof van plaisance", zoals de monialenabdij van Oosteeklo. In de Noordelijke Nederlanden werden de bouwmaterialen van de cisterciënzerabdijsites deskundig gerecupereerd. Enkel het gebouw, nuttig voor de protestantse eredienst, werd behouden. Van de abdij van Aduard werd zo de ziekenzaal gered als protestantse gebedstempel, waar de abdijkerk van de monialen van Loosduinen integraal door de protestanten werd herbruikt.

 

De Abdij Ten Duinen volgt het Bernardijns model bijna integraal. De 14de eeuwse aanpassingen zijn niet uitzonderlijk. Vanaf de 13de eeuw werden in vele cisterciënzer abdijen die het zich financieel konden veroorloven Bernardijnse elementen aangepast en worden verfijndere bouwelementen geïntroduceerd. De narthex, de Maeskapellen en het lavatorium behoren tot de bouwkundige verfijningen van het basiscomplex (kerk en pand). De grote bouwkundige verrassing van de Abdij Ten Duinen zit in de lengte en breedte van de lekenbroedersgang. Niet elke cisterciënzerabdij had immers een lekenbroedersgang. De toch ook niet kleine cisterciënzerabdij van Fountains, waar een vergelijkbaar aantal lekenbroeders aan verbonden was in de 12de eeuw, had er helemaal geen. De lekenbroeders dienden langs buiten naar de kerk te gaan. In andere abdijen is die gang effectief een lange en smalle gang. In Ten Duinen kan men effectief van een straat spreken. Doel was uiteraard om op de belangrijke kerkelijke feestdagen, wanneer de meeste lekenbroeders in de abdij dienden aanwezig te zijn, de meer dan 200 lekenbroeders snel en vlot van hun refter of slaapzaal naar de kerk te loodsen.

 

Met de translatie (verhuis) naar Brugge in 1627 was er voor de duinheren geen reden meer om hun oude abdij te herbouwen. Nadat de steenklomp te gelde was gemaakt, zorgde het zand van de Hoge Blekker voor een zacht toedekken van de funderingsresten. De deels opgegraven site toont in essentie het Bernardijns abdijmodel.

 

De samenhang van de indeling kan via het grondplan dan ook perfect geduid worden. Men weet perfect hoe de structuur verder loopt, aangezien de kloosterstructuur steeds integraal zichtbaar blijft. Met deze kennis kan men daarna niet meer verloren lopen in de kern van een andere cisterciënzersite.

 


 

De meeste cisterciënzerabdijen in België behoren tot de affiliatie van Clairvaux. De verering van Sint-Bernard is dan ook op verschillende plaatsen levendig gebleven.

 

Hoe seer in de hoochste deughden

staegh Bernardus uyt hier scheen

Die vervult van 't hemels vreughden,

In Godts liefdesbrandt verdween.

 

Die hier een hoogh beschouwen

staegh tot Godt stont opgherecht,

Met en al te vast vertrouwen

was altijdt aen hem ghehecht.

 

Die hem in sijn beidt omvanghen

wonderlijck heeft in dit dal

in sijn armen hem ontfanghen

in het clooster van Orval.

 

Hoe was oock sijn hert ghehanghen

Naer de schoonheydt van de Maeght

Die gheheel hem had bevanghen

hem soo seer die had behaeght.

 

Die hij nacht en dach oock diende

met een hert altijdt bereyt

meer en meer altijd beminde

met een nieuwe viericheydt.

 

Hoe was ook tot hem gheneghen,

tot sijn groet de Maeght ghekeert,

als sij hem van harentweghen

met haer weer-groet heeft vereert.

 

Hem als haren soon haer borsten

heeft Maria oock ghejont

waer haer lief'hem dê naer dorsten

die sijn hert soo had doorwont.

 

Sijnen mondt van honick vloeide,

vol was hij van soeticheydt

die de zielen hier besproeide

broght tot alle heylicheydt.

 

Wercken hij groot boven maten

in sijn leven heeft ghevrocht

die allom op volle straten

met hem de ghesontheydt broght.

 

Wilt, Bernarde, oock verwerven

ons ghesontheydt van den Heer

maer, om 't eeuwich goedt te erven

heyscht die van de ziel ons meer.

 

(Antwerpen, 1645)

 


 

De Koksijdse kopie van het schilderij van Pieter Pourbus wordt geconfronteerd met de nieuwe maquette van abdijkerk, pand, abtskwartier en klein pand en ziekenzaal. Ook de nieuwe keuken uit de vijftiende eeuw werd mee opgenomen. Aan de hand van een van de touch-screens kan men een aantal activiteiten van de monniken linken aan een aantal ruimten. Er wordt ook even stilgestaan bij de kledij van de monniken en de lekenbroeders. Deze laatste categorie werd overgenomen van de kartuizers. Lekenbroeders legden eveneens monastieke geloften af, maar waren geen volwaardige monnik. Zij dienden vooral lichamelijke arbeid te verrichten en slechts een beperkt aantal gebeden (van buiten) te kennen. In de eerste eeuwen van de ordegeschiedenis was er een duidelijk onderscheidingsteken tussen monniken en lekenbroeders. Waar monniken zeven keer per jaar de baard en de tonsuur moesten scheren, dienden lekenbroeders enkel hun baard te fatsoeneren.

 

Het dagritme was in een abdij totaal anders dan buiten de muren. Op 14 september startte de winterperiode, die pas met Pasen werd beëindigd.

 

In deze periode werd wel meer geslapen dan in de zomermaanden, maar het was tevens een vastenperiode waarin maar een maal per dag gegeten werd. Volgens de regel mocht het vegetarisch voedsel ook enkel gekookt worden in water, waar het in de zomer in melk mocht gebeuren. In de zomer werden er twee maaltijden opgediend.

 


 

Pieter Pourbus - het beeld van de abdij

 

Dankzij het grondplan dat de Brugse schilder-landmeter-cartograaf Pieter pourbus (1523/24-1584) in 1563 opmaakte en het schilderij van de Duinenabdij dat hij in 1580 aan abt Vanden Berghe overhandigde, kennen we de indeling van de abij en hebben we een beeld van hoe de abdij er driedimensionaal heeft uitgezien, geconterfeijt naer 't leven zoo 't gestaen ende gelegen heeft geweest. De Koksijdse kopie maakt een wezenlijk onderdeel uit van de duiding van de site.

 


 

Vanaf de dertiende eeuw kwamen er steeds meer pitanties voor. Door schenkingen kreeg de abdij eieren en haring. De eigen koeien zorgden niet alleen voor melk, maar daar kon ook kaas van gemaakt worden.

 

In de Duinenabdij werd als pitantie vooral vis gegeven bij sommige maaltijden. Door de nabijheid van de zee, en de eigen vissersboten te Nieuwpoort, kon de gemeenschap zelf zijn vegetarisch dieet aanvullen.

 

Enkel de monniken met refter- of kerkdienst hadden recht op een mixt, een ontbijt van brood met bier.

 

De refterreconstructie geeft een veelheid aan achtergrondinformatie. Er was geen rechtstreeks contact tussen de keuken en de refter van de koormonniken. Hun eten en drinken werd aangereikt via een draailuik in de scheidingsmuur tussen keuken en refter.

 

Elke monnik had recht op twee porties groenten, brood en drank van de streek. Enkel brood en water krijgen, en dan ook nog op de grond moeten eten, was een zware straf.

 

Naast het bidden, zeven specifieke gebedsdiensten en een hoogmis, werden de discipline en de zaken waarover de gemeenschap diende geraadpleegd te worden, behandeld in de kapittelzaal. Aangezien de hiërarchie binnen een abdijgemeenschap voor een buitenstaander onbestaande is, werd dit verduidelijkt door een aantal specifieke attributen. De monniken dragen immers geen speciale kleding indien ze een hoger ambt binnen de gemeenschap uitoefenen.

 

De abt draagt bij speciale gebeurtenissen een kruis. De prior heeft als verantwoordelijke voor de interne discipline het recht om een korte stok te hebben. De keldermeester is, als verantwoordelijke voor het economisch beheer van de bezittingen en de voorraden, uiteraard toegerust met een sleutelbos. De uithofmeester heeft een blanco blad om de opbrengsten van zijn uithof op te kunnen noteren. De novice dient de psalmen te leren, en heeft dus een vel beschreven met een psalm. Alle monniken bezitten een mes, het enige dat ze naast hun koord omgorden. Wanneer ze gaan slapen, dienen ze hun mes wel af te doen om nachtelijke ongelukken te voorkomen.

 

De lekenbroeder beschikt over een paar houten klompen. Monniken werden geacht om hun zonden spontaan op de kapittelvergadering op te biechten. Indien zij een maximale vergeving wilden afsmeken, konden zij zich prosterneren. Net als bij hun wijding gooiden ze zich op de grond, met hun armen gespreid en hun gezicht naar de grond, net voor de abt.

 

Als boetedoening kon men zich ook prosterneren voor de ingang van de kapittelzaal of de kerk, waarbij de broeders dan geacht werden om over de boeteling heen te lopen.

 

De abdij heeft een internationale uitstraling. De gewijzigde staatsrechterlijke indeling van West-Europa heeft er immers voor gezorgd dat de sporen van het vroegere abdijdomein verspreid liggen over Frankrijk, België en Nederland. Zij geven dan ook een beeld van het oude graafschap Vlaanderen, met uithoven van in de buurt van Duinkerke tot net boven Hulst. Boven de Honte of Westerschelde lag enkel nog het uithof Coolhoff op het eiland Schouwen-Duiveland in het graafschap Zeeland.

 

In totaal was dit goed voor meer dan 10.000 hectare grond.

 

Daarbovenop had de abdij ook nog bezittingen in Engeland, met name op het eiland Sheppey in het graafschap Kent.

 

In de meeste uithoven en stedelijke vluchthuizen of refuges werd de dienst verzekerd door lekenbroeders. Een normale werkbezetting van een uithof bestond uit zestien lekenbroeders. De meeste lekenbroeders dienden vóór 1300 enkel voor de grote kerkelijke feesten van Kerstmis, Pasen en Pinksteren naar de abdij te komen. Naast de misdiensten werden ze geacht om het sermoen van de abt te aanhoren in de pandgang voor de kapittelzaal van de koormonniken.

 

Pas tussen 1300 en 1500 verbeterde het statuut van de lekenbroeder. De uithoven werden verpacht en de nog aanwezige lekenbroeders bleven ofwel in de abdij of hielpen de monniken die het beheer van een exploitatiezetel moesten verzekeren als opziener. De lekenbroeders die in de abdij bleven, kregen ook een tonsuur, mochten ook in het koor van de monniken zitten en in dezelfde refter eten.

 

De verschuiving van eigen beheer naar verpachting zette omstreeks 1300 wel kwaad bloed bij de overblijvende lekenbroeders. De meesten dienden terug te keren naar de abdij, waar het leven strenger en strikter was dan op de uithoven. Doordat de Duinenabdij nog de mogelijkheid had om monniken en lekenbroeders naar het verre Zande in Zeeuws-Vlaanderen te sturen, lijkt het nooit tot zware problemen geleid te hebben.

 

De Duinendochter Ter Doest, die al vroeger haar verafgelegen uithoven in het graafschap Holland verpachtte, had daar wel meer problemen mee. De roemruchte Willem van Saeftinghe leidde er een lekenbroedersopstand tegen de koormonniken en diende dat met excommunicatie te bekopen.

 

De verpachtingen leverden dan wel vaste inkomsten op, maar daarnaast werden de abdijen vanaf de veertiende eeuw in Zeeuws-Vlaanderen geregeld geconfronteerd met de lasten en kosten van dijkbreuken.

 

Cisterciënzerabdijen als Ten Duinen, Ter Doest, Vaucelles, Cambron, Groeninghe of de Bijloke hadden niet alleen de financiële last te dragen om de dijken te laten herstellen, maar moesten tevens ook aan de graaf van Vlaanderen een boete betalen om de verloren gegane gronden terug te krijgen. Woeste gronden waren immers van rechtswege onmiddellijk terug eigendom van het grafelijk domein. Vervolgens duurde het ettelijke jaren eer de herwonnen polders terug ontzilt waren en hun oude productiviteit herwonnen was.

 

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was voor zowel Ten Duinen als Ter Doest uiterst pijnlijk. Ter Doest verloor alle uithoven in Zeeland en net als Ten Duinen in 1645 ook alle uithoven in Zeeuws-Vlaanderen.

 

De uithoven van Ten Duinen werden met het Verdrag van Münster in 1648 zelfs officieel aan het Huis van Oranje gegeven als schadeloosstelling voor andere bezittingen die het Huis in de Zuidelijke Nederlanden verloren was. 

 

Deze periode luidt ook het einde in van de actieve voogdij over tal van cisterciënzerinnenabdijen. De meeste monialenabdijen van de Orde behoorden tot de affiliaties van ofwel Cïteaux of Clairvaux. Aangezien het voor beide abten onmogelijk was om alle monialenabdijen van geestelijke leidsmannen te voorzien, werd die taak uitbesteed aan mannenabdijen van dezelfde affiliatie uit de onmiddellijke omgeving.

 

De abt van Ten Duinen was dan ook in opdracht van Clairvaux voogd van de monialenabdijen van Hemelsdale (Diksmuide), Groeninghe (Kortrijk), Spermalie (Sijsele, daarna Brugge), Ter Haghen (Axel, daarna Gent), Bijloke (Gent), Ravensberghe, Dowaai en Guldenberg (Wevelgem) binnen het graafschap Vlaanderen en zelfs een tijdje van Roosendael (Sint-Katelijne-Waver) en Loosduinen (Den Haag).

 

Toen Ravensberghe en Dowaai geannexeerd werden door Lodewijk XIV nam de abdij van Clairvaux de voogdij terug over. Bij geen van deze opdrachten zijn er "recreatieve" ongevallen gebeurd. Niet altijd immers werden oudere koormonniken als biechtvader en pastoor naar de monialen gestuurd. Alhoewel recreatie oorspronkelijk verboden was, werd snel toegestaan dat men kon wandelen en praten. Vooral in de zomerperiode kon men na de middagmaaltijd ofwel een siësta nemen of een andere vorm van ontspanning beoefenen. Kaatsen en kegelen werd ook toegestaan. Dobbelen werd geregeld verboden, aangezien op die manier de duivel kon "intreden", maar gebeurde toch.

 

De in de buitenwereld gehekelde kuisheid was niet voor alle monniken en monialen even gemakkelijk te bewaren. Sommigen bezweken aan de verlokkingen van het vlees. Wandelen kon na enige tijd ook buiten de omheining van de abdij. Om te voorkomen dat de monniken geen ankerpunt zouden vinden, werd er op de duinenhoek van de omheiningsmuur een dyenst vrouwen huijsje gebouwd, een kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw ten Duinen. Op die momenten konden ze ook met elkaar praten, liefst alleen over stichtende zaken als commentaren op bijbelteksten, de geschriften van de kerkvaders of over het sermoen van vader abt. In de abdij dienden zij zich voor de rest van de dag uit te drukken in gebarentaal. Moest er toch iets gezegd worden, dan diende dit te gebeuren onder het waakzame oog en oor van de prior. Die zwijgplicht gold ook de lekenbroeders, zelfs diegenen die in de werkplaatsen of op de akkers aan het werk waren.

 


 

Een dag in het leven van Joke

 

Om de interesse in het Monastieke leven in de middeleeuwen te prikkelen, kan men een filmpje meepikken. In een regie van Stijn Coninckx bwerden op de site Ten Boomgaerde, ter Yde en vooral in de abdijsite te Noirlac aspecten van het monastiek leven in de veertiende eeuw gefilmd.

 

De cisterciënzerabdij van Noirlac werd in 1136 gesticht als dochter van Clairvaux. In de dertiende eeuw werd het pand in gotische stijl herbouwd. De vensterfragmenten van Ten Duinen waren bijna identiek aan deze van Noirlac. Bij de restauratie van Noirlac waren een aantel vloeren heraangelegd met vloertegels uit Noord Frankrijk, Frans Vlaanderen dus, wat het Vlaamse uitzicht nog versterkte.

 


 

De Regel van Benedictus

 

Ook de in 1098 gestarte Orde van Cîteaux baseert zich voor zijn monastieke levensorganisatie op de Regel van Sint Benedictus. In het begin van de 6de eeuw stelt hij in zijn nieuwe abdij op Monte Cassino een nieuwe regel voor monniken op. In opdracht van het Concilie van Aken werd in 818 een standaardkopie gemaakt die zou gelden voor alle oude en nieuwe monastieke stichtingen. Doordat de Vikings een stokje in de wielen staken, werd de invoering pas meer dan een eeuw later echt werkelijkheid.

 

De abt is de centrale machtsfiguur in de abdij die alle macht in zijn handen verenigt. Om te voorkomen dat dit tot machtsmisbruik zou leiden, zijn er voor de abt ook specifieke aandachtspunten voorzien in de Regel:

 

"Altijd moet de abt bedenken wat hij is, bedenken hoe men hem noemt, en hij moet goed weten, dat van hem, wien meer is toevertrouwd, meer wordt opgevorderd.

 

Laat hij beseffen, welke moeilijke en zware taak hij op zich genomen heeft: om namelijk zielen te leiden en zich dienstbaar te maken aan de gesteltenis van velen. De een moet hij met milde goedheid tegemoet treden, een ander met terechtwijzingen, weer een ander met overredingskracht, en zich zo volgens ieders geaardheid en bevattingsvermogen aan elkeen aanpassen en zich zo naar hem plooien, dat hij niet enkel aan de hem toevertrouwde kudde geen schade lijdt, maar zich veeleer over de groei van een goede kudde kan verheugen". ( Cap. 2 § 30-32)

 

Hij kan alleen beslissen, maar wordt toch geacht overleg te plegen:

 

"Telkens als er in het klooster iets belangrijks gebeuren moet, roept de abt de gehele gemeente bijeen en zegt dan zelf waarover het gaat. Terwijl hij luistert naar de raad van de broeders, denkt hij zelf over de zaak na en doet wat hij het nuttigst oordeelt. De reden nu waarom wij hebben vastgesteld, dat allen voor het beraad bijeengeroepen worden, is, dat de Heer vaak aan een jongere openbaart wat het beste is. Intussen moeten de broeders hun raad geven in alle nederigheid en onderdanigheid, en mogen zij hun eigen inzichten niet hardnekkig verdedigen. De beslissing blijft veeleer aan het oordeel van de abt voorbehouden, zodat allen hem gehoorzamen in wat hij het beste geoordeeld heeft. Maar zoals het aan leerlingen past hun meester te gehoorzamen, zo dient ook deze laatste alles met beleid en billijkheid te regelen." (Cap 3 § 1-6)

 

Op de kapittelvergadering mag een monnik dus praten, anders wordt dat ten stelligste afgeraden:

 

"Laten wij doen wat de profeet zegt: "Ik sprak: mijn wegen zal ik bewaken om niet te zondigen met mijn tong. Ik heb bij mijn mond een wacht gesteld; ik heb niet gesproken, maar ben bescheiden geweest, en zelfs over goede dingen heb ik gezwegen". (Cap 6 § 1 )

 

Het bewaren van de stilte was ook een teken van nederigheid, een middel om de ladder van perfectie te kunnen beklimmen:

 

"Daarom, broeders, als wij de toppen van de hoogste nederigheid willen bereiken, als wij snel willen komen tot die hemelse hoogte waarnaar men opklimt langs de nederigheid in dit aardse leven, dan moeten wij voor de opvaart van onze daden die ladder oprichten, die aan Jacob in zijn droom verschenen is en waarlangs hij engelen zag afdalen en opklimmen. Dit afdalen en opklimmen wil ons ongetwijfeld niets anders zeggen dan dat men door hoogmoed afdaalt en door nederigheid omhoogklimt. Die overeindstaande ladder nu is ons leven hier op aarde; zij zal, als ons hart nederig is geworden, door de Heer naar de hemel worden opgericht. De stijlen van die ladder zijn - naar wij menen - ons lichaam en onze ziel, en in die stijlen heeft Gods roeping verschillende sporten van nederigheid en zelftucht ingevoegd, waarlangs wij omhoog moeten klimmen". (Cap 7 § 5-9) Het zwijgen was goed voor "de negende trap van nederigheid".

 

"De twaalfde en hoogste trap van nederigheid bestaat hierin, dat de monnik niet enkel in zijn hart nederig is, maar dat ook zijn hele lichaamshouding een uitdrukking is van nederigheid voor allen die hem zien: bij het werk Gods, in de bidplaats, in het klooster, in de tuin, op straat, op het land of waar dan ook, of hij zit, gaat of staat: altijd houdt hij het hoofd gebogen en de ogen neergeslagen. Steeds is hij zich de schuld van zijn zonden bewust en is het hem alsof hij reeds voor Gods schrikwekkend oordeel moest verschijnen. Hij herhaalt dan ook voortdurend in zijn hart het woord van de tollenaar uit het Evangelie, die met neergeslagen ogen sprak: "Heer, ik zondaar ben niet waardig mijn ogen ter hemel op te slaan"." (Cap 7 § 62-65)

 

In het verlengde van de zesde trap van nederigheid worden ook de maaltijden sober gehouden. Twee gekookte gerechten bij elke maaltijd werd als voldoende beschouwd. Want "als maar voor alles onmatigheid vermeden wordt, zodat nooit een monnik onpasselijk wordt, want niets is zo strijdig met wat van ieder christen verwacht wordt als onmatigheid, zoals onze Heer het zegt: "Ziet toe, dat uw geest niet afgestompt wordt door onmatigheid"." (Cap 39 §7-9)

 

Het zuivere vegetarische menu werd niet behouden. Vis werd een belangrijke pitantie, extra gerecht bij de maaltijd. Waren de apostelen immers ook geen vissers? De Abdij Ten Duinen was op dat vlak goed geplaatst. Dicht bij zee gelegen, was er steeds vis beschikbaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de abten van Ten Duinen steeds tegen de toelating waren om vlees te mogen nuttigen. Vraag die vooral door de Duitse abten werd gesteld. De Vlaamse kritiek op hun voorstel werd steeds gepareerd door te wijzen op het feit dat ze toch ver van zee verwijderd waren. Toch kon met vis ook de illusie van een vleesschotel opgewekt worden. Een gebruikelijke visschotel was "moes van Jerusalem": baars, vermengd met suiker en amandelmelk.

 


 

De museumcollectie

 

 

De museumcollectie is per definitie een archeologische collectie, ontstaan uit de opgravingen. De stukken van de eerste opgravingen in 1897 door J. Valckenaere en G. Vallaeys voor de Brugse société archéologique gingen mee naar Brugge. Pas vanaf 1949 werd er systematisch opgegraven. Naast gewone gebruiksvoorwerpen en een massa skeletten behoren vooral de tegelvloeren tot de belangrijkste vondsten. Samen met de bakstenen vormen zij een voorbeeld van de pioniersrol die de cisterciënzers in de Noordzeeruimte speelden bij de verspreiding van de baksteenarchitectuur. Gestoeld op noodzaak, wegens de duurte en de politieke problemen om natuursteen op grote schaal aangevoerd te krijgen, werd gestart met een eigen baksteenproductie in de buurt van de abdij. De in de buurt aanwezige turf was na droging uitermate geschikt om als brandstof gebruikt te worden.

 

De tegels, zowel vloer- als muurtegels, zijn van een buitengewone kwaliteit en kunnen wedijveren met de beste Europese productie. Waar het duidelijk is dat de bakstenen en de dakpannen op het domein van de abdij gemaakt werden, kan dat voor de tegels niet met zekerheid gesteld worden. Sommige geglazuurde tegels met slibversiering bieden dezelfde iconografie als exemplaren die in andere cisterciënzerabdijen in West-Europa aangetroffen werden, maar de negenvoudige sets zijn van een bijzondere iconografische waarde en samenhang. Dierenfiguren, zowel natuurgetrouw weergegeven als fabeldieren geïnspireerd op de bestiaria, komen veelvuldig voor. Bij de voorstellingen van personen zijn er zowel ook mythische als adellijke figuren. Heraldische en geometrische motieven komen zowel afzonderlijk als gecombineerd voor. Tegelvloeren werden in de abdij gevonden in de narthex, de Maeskapellen, de noordelijke zaal van het abtskwartier en het lavatorium. Ook gewone tegels, de meeste zonder glazuur en slibversiering, werden aangetroffen in de refter, de keuken, de opslagplaats en de refter in de lekenbroedersvleugel. In de oostelijke pandgang werden eveneens effen rode niet-geglazuurde tegels teruggevonden. Een selectie van die tegelrijkdom wordt op verschillende plaatsen in het museum getoond.

 


 

Museumjaarboek met internationale roeping - Novi Monasterii

 

Aangeizn het nieuwe museumconcept de lokale site overstijgt, diende de nieuwe museumpublicatie, ter vervanging van het oude tijdschrift De Duinen, daar ook terdege rekening mee te houden.

 

Omsat het de bedoeling is het onderzoek rond en over de mannelijke en vrouwelijke cisterciënzerabdijen in de Lage Landen te stimuleren, zonder de link naar de omliggende landen te verliezen, werd geopteerd voor een jaarboek dat openstaat voor bijdragen orond de geschiedenis van de cisterciënzers, trappisten en bernardinnen van Vlaanderen en Nederland, van de eerste stappen van de cisterciënzerorde in de Lage Landen tot vandaag. Het jaarboek bestaat uit een thematisch deel en een verzameldeel met korte informatie over restauraties, publicaties en ander nieuws over zowel Ten Duinen 1138, maar ook de andere sites en abdijen in Vlaanderen en Nederland.

 

Het eerste jaarboek werd gepubliceerd begin 2002 (volume 1) en handelt over de cultuurtoeristische revalorisatiemogelijkheden van de cisterciënzersites in Europa. De redactieraad is internationaal samengesteld en telt naast Vlamingen ook Nederlanders en Engelsen. De uitgave wordt verspreid door de wetenschappelijke uitgeverij Academia Press te Gent.

 


 

Naar Brugge

 

 

De abdijsite te Koksijde kreeg steeds meer problemen met opstijgend grondwater en stuifzand.

 

Door de financiële inspanningen om onder water gelopen polders opnieuw droog te leggen, geraakte de abdij te Koksijde steeds meer in verval. Pogingen van verscheidene abten om de gemeenschap te verplaatsen, stootten op het negatief advies van de wereldlijke autoriteiten. Zelfs de schade van de beeldenstorm van 1566 en de afbraak na 1578 konden de autoriteiten niet vermurwen.

 

Pas na het afsluiten van een financieel oninteressante deal met de bisschop van Brugge, die commendatair abt van Ter Doest was, kon de abdijgemeenschap in 1627 van Ten Bogaerde verhuizen naar de refuge van Ter Doest in Brugge.

 

De dochterstichting werd samengevoegd met Ten Duinen en aan de rand van het middeleeuwse Brugge werd in de zeventiende en achttiende eeuw een nieuwe abdij gebouwd.

 

In de Westhoek bleef alleen een groepje Duinheren achter op Ten Bogaerde, verantwoordelijk voor het beheer van de uithoven van het Westkwartier.

 

Bouwmaterialen en andere herbruikbare zaken werden naar Brugge gebracht. Daarbij waren ook de vroegere kastdeuren van de abdijbibliotheek, versierd met laatmiddeleeuwse grisailles van de abten en de graven van Vlaanderen. Dankzij de vereniging met dochterstichting Ter Doest kreeg Ten Duinen terug de beschikking over een rijke bibliotheek. De gevolgen van de eerste helft van de Tachtigjarige Oorlog waren immers desastreus geweest voor de Koksijdse abdijbibliotheek.

 

Als gevolg van de confiscatie door de Franse overheid na de annexatie van 1795 werd de bibliotheek terug geviseerd. Een groot deel werd ondergebracht in de nieuw gestichte stedelijke bibliotheek van Brugge. Andere boeken raakten verspreid. De nog in de gemeenschap gevrijwaarde boeken werden door de laatste Duinheer, Nikolaas De Roover, bij zijn overlijden in 1833 aan het opnieuw in te richten bisdom Brugge geschonken en bleven zo in de Duinenabdij te Brugge, het huidige Grootseminarie.

 

Voor een monnik was de abdijbibliotheek zijn kenniscentrum. Godfried, subprior van de Normandische abdij Barbery, schreef in 1170 dat een abdij zonder bibliotheek als een kasteel zonder wapenkamer is. "De bibliotheek is de wapenkamer van de monnik. Daar neemt hij de oordelen van de Bijbel als scherpe pijlen om de vijand aan te vallen. Daar wordt ook het pantser van de rechtschapenheid, de helm van de verlossing, het schild van het geloof en het zwaard van de geest, dat het Woord Gods is, gehaald". Naast bijbels en liturgische werken telde de bibliotheek nog tal van andere studies, variërend van de werken van de kerkvaders en belangrijke religieuze traktaten, over filosofische en historische tot natuurkundige werken.

 

Zowel de in Parijs of Leuven theologisch gevormde als de gewone monnik moest er zijn gading in vinden voor zijn dagelijkse geestelijke lectuur.

 

Een aantal Duinheren was zelf actief als auteur, zowel op theologisch als op historisch vlak.

 

Enkele abten waren daarnaast bibliofiel verzamelaar, wat zichtbaar is in enkele prachtig verluchte manuscripten. Ook cisterciënzermonniken hadden na het tanen van de Bernardijnse rigueur oog voor de esthetische waarde van een manuscript. Vooral speciaal bestelde boeken uit commerciële ateliers blinken uit door technisch en iconografisch verfijnde verluchtingen. Na de eerste eeuwen werd er immers steeds minder gekopieerd in de abdij zelf; het handenwerk had plaats gemaakt voor studie.

 

De bibliofiele rijkdom van Ten Duinen ligt te rusten in Brugge, deels in de barokke Duinenabdij. Te Koksijde werden sinds 1949 de grondvesten van de kerk, het pand, de lekenbroederstraat, de opslagkelder, de lekenbroederrefter, de keuken, de monnikenrefter, het abtskwartier, het gastenkwartier en een deel van de kerkwegel tussen het poortgebouw en de kerk opgegraven. Stenen en papieren restgetuigen geven een beeld van het spiritueel kader waarin duizenden monniken en lekenbroeders hun religieus ideaal hebben beleefd. Dat beeld wordt toegelicht in het nieuwe abdijmuseum Ten Duinen 1138 te Koksijde.

 


 

De Site

 

 

Toen in 1627 de cisterciënzermonniken hun kloosterhoeve Ten Bogaerde verlieten om in Brugge een nieuwe abdij te betrekken, was hun Onze-Lieve-Vrouw ten Duinenabdij grotendeels ontmanteld en in de loop van de zeventiende eeuw werd zij volledig bedolven door de Hoge Blekker, toen een wandelende duin die reeds in de zestiende eeuw een deel van de gronden van het abdijdomein had ingenomen. Buiten een herinnerings-kruis ter hoogte van de vroegere kapittelzaal werd er geen bijzondere aandacht aan de site meer geschonken.

 

In 1818 lieten de laatste Duinheren het houten kruis vervangen door een stenen kapelletje. Dat veranderde pas toen in 1894 Idesbald van der Gracht canoniek zalig werd verklaard en er in 1896 in Brugge ter zijner ere een jubelstoet uitging. Een aantal geestelijken en oudheidkundigen gingen daarna op zoek naar de abdij van de in Brugge en Koksijde aanbeden abt en vonden sporen van de kerk. Stijgend grondwater deed de werken stoppen. In het Interbellum zocht de lokale geoloog Karei Loppens vooral naar de lokalisatie van de eerste abdij. De aanzet tot doorgedreven archeologisch onderzoek kwam er in 1949, toen men voor restauratiewerken aan de Duinenabdij te Brugge bouwmateriaal zocht op de abdijsite te Koksijde. Van het een kwam het ander en in de loop van de volgende jaren werd het grootste deel van de abdijkerk, de pandgangen, het lavatorium, de keuken, de lekenbroederstraat, de lekenbroedervleugel en het abtskwartier opgegraven onder leiding van het Koninklijk (Belgisch) Instituut voor Natuurwetenschappen. Van het gastenkwartier werd een klein stukje blootgelegd.

 

Er werd vooral met internationale jongerenkampen gewerkt tijdens de vakantieperiodes. Vanuit zijn opdracht, was het K(B)IN vooral geïnteresseerd in de paleontologische vondsten. Een duizendtal skeletten werd geborgen en naar Brussel gevoerd voor verder onderzoek. In het enthousiasme van het moment werden met verspreid gevonden bouwmaterialen muurstukken gereconstrueerd. In de loop van de jaren zeventig en tachtig werden verschillende van die muuropstanden hersteld. Het verval was in de jaren 1990 zo groot geworden, dat er dringend diende ingegrepen te worden. Park en ruïnes werden eind 1998 dan ook voor bezoekers gesloten. De dreiging van de te hoge grondwatertafel werd gekeerd door een lokaal pompsysteem te gebruiken, terwijl de oude stenen beschermd worden door nieuwe afdeklagen.

 

Uitgangspunt hierbij is dat bij de opgravingen van de jaren vijftig en zestig met in de onmiddellijke omgeving van de muuropstanden gevonden bouwmaterialen de muren verhoogd werden. Daarbij is het dus beter om deze muren op een maximale manier onderhouds-vriendelijk te maken, ook als dat betekent dat het ruïneuze karakter van de funderingen daardoor iets minder oogt. Wanneer dit werk afgerond zal Zijn, worden de ruïnes geïntegreerd in een natuurpark.

 

Nieuwe opgravingen, met een zachte restauratie en zonder reconstructies, zullen de site kunnen vervolledigen.

 

Het gastenkwartier werd in 2002 volledig opgegraven. In hetzelfde jaar werden de graven in het laatste bedolven stuk oostelijke pandgang blootgelegd.

 

 

Kerk

 

Voor elke abdijgemeenschap is de kerk de belangrijkste werkplaats. De abdijkerk werd gebouwd tussen 1214 en 1262 en was zo'n 120 meter lang en 30 meter hoog. Ze moest toen ook een 120 koormonniken en een 250 lekenbroeders kunnen opvangen. Tussen 1317 en 1354 werd er een rijkelijk versierde narthex voor de ingang van de kerk gebouwd.

 

 

Maeskapellen

 

Begraven in een cisterciënzer abdijkerk was niet gebruikelijk. Toch was het gegeerd om zo dicht mogelijk bij het altaar van een abdijkerk begraven te kunnen worden. De Nieuwpoortse stadsgouverneur kon abt Maes overtuigen om hem dichter bij het altaar te laten begraven. De aangebouwde Maeskapellen lagen aan de noordzijde van de kerk en werden begin vijftiende eeuw als grafkapel voor zowel de gouverneur als de abt gebruikt.

 

 

Pand

 

Het pand is de plaats die de monniken spiritueel linkt met hun zoektocht naar God en het paradijs. Voor de slotmonniken was dit oorspronkelijk de enige plaats waar ze elke dag de hemel en de pandtuin konden zien.

 

 

Pandgangen

 

De pandgangen zijn de verkeersaders waarlangs de koormonniken alle ruimten vinden die ze in een dag nodig hebben. Waar oorspronkelijk de abten in de kapittelzaal begraven worden, kunnen de priors in de pandgang begraven worden. Op termijn worden ook abten en weldoeners in de pandgangen begraven.

 

Margaretha Ghoys is de meest bekende weldoenster van de abdij. Als familiaris stierf ze voor dat ze effectief ten laste van de abdij zou komen. Haar schenking was evenwel zo ruim dat ze als dank binnen de abdijmuren werd begraven. In de zuidelijke pandgang werd begin veertiende eeuw een nieuw lavatorium gebouwd.

 

 

Lekenbroedersstraat

 

Aangezien tijdens de belangrijkste feestdagen een kleine 250 lekenbroeders snel van de slaapzaal van de lekenbroedersvleugel naar het lekenbroederskoor achteraan de kerk dienden te kunnen komen, werd een ruime en lange gang aangelegd tussen de westelijke pandgang van de koormonniken en de opslagruimte. Bouwtypologisch is dit een van de bijzonderste kenmerken van de Duinenabdij, die niet in alle even grote cisterciënzerabdijen, zoals Fountains, terug te vinden zijn.

 

 

Lekenbroedersvleugel

 

De lekenbroedersvleugel was altijd het laatste gebouw dat door de lekenbroeders zelf werd gebouwd. De kerk en de andere gebouwen rond de pandgang gingen voor op de eigen verblijfplaats. De voorkant werd gebruikt als opslagruimte voor voedsel en gebruiksvoorwerpen die onmiddellijk verbruikt dienden te worden in de abdij. Achteraan, niet al te ver van de keuken, bevond zich de refter, die ook als kapittelzaal werd gebruikt. Belangrijke zaken stonden er niet op de agenda. De oudste broeder zat, bij afwezigheid van de abt, de vergadering voor.

 

 

Abtskwartier

 

In de veertiende eeuw verwijderde de abt zich meer en meer van zijn gemeenschap. Kort bij het gastenkwartier werd eerst een hal als ontvangstruimte gebouwd. Deze werd na korte tijd verruimd om ook een woonvertrek voor de abt te kunnen bevatten. Wanneer de abten in de loop van de vijftiende eeuw steeds meer in Brugge verblijven, gaat de prior, als tweede in bevel in de abdij, ook in een eigen huis wonen. De priorij wordt dan naast de ziekenzaal gebouwd.

 


 

De museumomgeving

 

 

Landinrichtingsproject De Westhoek en natuurinrichtingsproject Noordduinen

 

In het museumpark werden begin 2003 populieren en dennen gekapt om plaats te maken voor een nieuwe aanplanting van een drieduizendtal inheemse bomen en struiken als zomereik, es, kardinaalsmuts en meidoorn. Nieuwe wandelpaden volgen een parcours dat langsheen een aantal reminiscentiepunten van vroegere abdijgebouwen loopt. De Van Buggenhoutlaan zal eerlang opgebroken worden, waardoor de abdij terug in haar zeventiende-eeuws duinenlandschap komt te liggen. Dit zal ook de mogelijkheden bieden om de monnikenvleugel op te graven, de rest van de refter, het kleine pand en de ziekenzaal.

 

 

Zuid-Abdijmolen

 

Op de zuidelijke molenberg van de abdijsite werd op 19 april 1954, na bijna 400 jaar, een nieuwe staakmolen ingehuldigd. In 1952 kocht het gemeentebestuur een vervallen staakmolen van de molenaarsfamilie Lootvoet. De molen is afkomstig van Houtem bij Veurne. De staak-of standerdmolen telt drie zolders en werd in 1773 gebouwd. Tot mei 1940 was hij in gebruik. Molenaar Lootvoet werd gedood door een inslaande Duitse granaat, waarbij de molen zwaar beschadigd werd. In 1953 werd de molen ontmanteld, hersteld en heropgericht. Hij is nu een van de weinige molens in Vlaanderen die door een beroepsmolenaar, Patrick Geryl, bediend wordt.

 

 

Ten Bogaerde

 

Omstreeks 1148 schonk Walter Cath de 'Bongart' aan de Duinenabdij. Gezien de omvang werd er een uithof gebouwd, waar onder het abbatiaat van Nikolaas van Belle (1233-1253) de grootste schuur van de Duinenabdij werd gebouwd.

 

Abt Laurentius Van den Berghe verzamelde zijn gemeenschap in 1601 op het uithof Ten Bogaerde na de verkoop van de Nieuwpoortse refuge aan de zusters van de cisterciënzerinnenabdij Hemelsdale. Tijdens de woelige periode 1566-1601 was de kleine gemeenschap op de dool geweest en hadden monniken in verscheidene refuges verbleven. Om een volwaardig abdijleven te kunnen leiden, werden er nieuwe gebouwen geconstrueerd en werd de kapel tot een volwaardige kleine abdijkerk uitgebouwd.

 

In 1627 vertrekt de abdijgemeenschap van Ten Bogaerde naar de refuge van Ter Doest in Brugge. In Ten Bogaerde blijven enkele monniken en lekenbroeders achter die als taak hebben de bezittingen van de abdij in het Westkwartier te beheren.

 

In 1796 werd Ten Bogaerde ook geconfisqueerd door de Franse overheid en verkocht. Het werd door de uitgedreven monniken teruggekocht en in 1833 schonk de laatste Duinenheer, Nikolaas De Roover, alles aan het nieuw op te richten bisdom Brugge. Ten Bogaerde werd in 1948 in concessie gegeven aan de landbouwafdeling van het Sint-Bernarduscollege van Nieuwpoort. Alle schoolactiviteiten zijn ondertussen gestopt.

 

 

Onze-Lieve-Vrouw ten Duinenkerk

 

In de verdere ontsluiting van de wijk Maertensoom werd in 1956 een moderne parochiekerk gebouwd naar een ontwerp van architect J. Lantsoght. De kerk is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw ten Duinen, de patrones van de oude Duinenabdij en aan de Zalige Idesbald, wiens schild naast zijn patrones en naast het wapenschild van de abdij prijkt. De kerk bezit een stuk dijbeen van de zalige in een crypte die in 1969 werd voltooid. De rest van zijn gebeente rust in de kapel van de Potterie te Brugge. De kerk werd gebouwd met staal, beton, betonglas en bekleed met witte baksteen. Een metalen dakkap geeft een bijkomend speciaal cachet. Deze kathedraal van het licht heeft een grote glasraampartij, ontworpen door J. Lefèvre en F. Kinnen en gemaakt door de Brugse glazenier R. Vandeweghe. De plattegrond verwijst naar de vorm van een kokkel.

 


 

Zilvercollectie Maldague

 

 

Op de zolder van het Abdijmuseum bevindt zich de zilvercollectie Maldague, op lijfrente aangekocht door de gemeente Koksijde. Oorspronkelijk was zij bestemd om als afzonderlijke entiteit ondergebracht te worden in de voormalige kapel Ster der Zee.

 

Het grootste deel van deze collectie wordt gevormd door zilveren liturgische voorwerpen. Kelken, monstransen en cibories, zalvingspotjes, wijn- en waterkruikjes, godslampen of wierookvaten in verschillende vormen en maten. Het zijn niet alleen voorwerpen van eigen bodem of bestemd voor de rooms-katholieke eredienst, maar evenzeer van joodse en orthodoxe (Russische) origine. Naast die berg van religieus zilver herbergt de collectie ook nog volkskundig interessante elementen zoals armenpenningen of poppenhuizen om pastoortje te kunnen spelen. Er is zelfs een reliekschrijn met het gebeente van de Franse Sint-Hyacinth.

 

Maldague was zelf jarenlang leverancier van liturgische gebruiksvoorwerpen. Niet alleen was hij eigenaar van een groothandel, maar tevens nam hij een in Parijs gevestigd zilversmedenatelier over en specialiseerde zich tijdens de jaren 1970 in de productie van liturgisch vaatwerk en andere kerkelijke gebruiksvoorwerpen. Op die manier vertelt de collectie Maldague ook een verhaal over de productie en de handel in 'gewijde' voorwerpen. Zijn veelvuldige contacten met de Ateliers d'Art de Maredsous, een gerenommeerde school voor religieuze zilversmeden, legden de kiem voor een ruimere interesse in religieus zilver.

 

Dat verhaal telt veel negentiende-eeuwse voorwerpen. Met het katholiek reveil was dit een gouden eeuw voor liturgische voorwerpen. Handel in en toelevering van liturgisch vaatwerk groeide in die jaren uit tot een heuse industrie. Om de bezoekers meer houvast te bieden in deze wereld, wordt er gewerkt met een verhaallijn die een aantal hoofdthema's belicht.

 

Bij de typologie van het liturgische gebruiksvoorwerp in de diverse godsdiensten staat de vraag naar de functie centraal. Voorwerpen om het misoffer op te dragen of voorwerpen die gebruikt worden bij de grote gebeurtenissen in het leven (zoals geboorte en dood) hebben allemaal een specifieke vorm en uitzicht die kan verschillen al naargelang de geografische plaats van ontstaan en de ritus die wordt gevolgd.

 

Met het luik productieprocessen en waarmerken wordt ingegaan op de verschillende facetten van de productie van het liturgisch vaatwerk, zowel voor wat de vormgevende als de versierende aspecten betreft. Een boeiend facet van de collectie is de aanwezigheid van zilverateliers die met verscheidene stukken in de collectie vertegenwoordigd zijn. Van een reeks kelken, cibories en monstransen bestaan er zelfs meerdere stukken die, op enkele onderdelen na, identiek zijn aan elkaar. Dit maakt het mogelijk, aandacht te besteden aan de atelierpraktijken. Zeker in de tweede helft van de negentiende eeuw was het gebruikelijk om het meer courante vaatwerk seriematig te produceren.

 

Verscheidenheid verkreeg men door onderdelen te laten variëren.

 

De negentiende-eeuwse toelevering en handel in objecten voor de liturgie wordt via een modellenkoffer voor kelken verduidelijkt. Vooral in de negentiende eeuw waren talrijke grote firma's actief die catalogi op de markt brachten waarin een pastoor of kloosteroverste nagenoeg alles kon terugvinden dat dienstig kon zijn voor de inrichting van gebedshuizen: van zalvingspotjes en ampullen tot volledige altaren en preekstoelen.

 

Hierbij vallen enkele stukken op van de Gentse edelsmedendynastie Bourdon die actief was van 1811 tot 1967 en bijzonder fraaie neogotische cultusvoorwerpen vervaardigde.

 

De stijlgeschiedenis is de rode draad doorheen de hoofdopstelling van de zilvercollectie. Eerst en vooral gaat de aandacht uit naar de stilistische ontwikkeling vanaf de Late Middeleeuwen tot vandaag. De specifieke vormelementen die kenmerkend zijn geweest voor elke periodestijl worden geduid en via touch-screens gelinkt aan de maatschappelijke, politieke en religieuze evolutie van die periode.

 

Het eindpunt van de collectiepresentatie is een schatkamer, waar in een atmosfeer van gedempt licht, naast een retabel de verscheidenheid aan liturgisch zilverwerk wordt getoond.

 

Het geheel wordt afgesloten met een strip over de geschiedenis van het zilver met als hoofdfiguren broeder Eloy en Cibke, een ciborie die in een vat van een alchemist is gevallen en er levend uitgekomen is. Beide stripfiguren worden ook gelinkt aan de geschiedenis van de cisterciënzerabdij Onze-Lieve-Vrouw ten Duinen.

 

Dit blijft enkel een stripgegeven, aangezien de abdij haar liturgisch zilver bij stedelijke meesters bestelde.

 


 

De familiares de Dunis vzw, de Vriendenvereniging van Ten Duinen 1138 

 

Op 27 juni 2002 werd de nieuwe vriendenkring van het museum opgericht . De naam verwijst naar de vroegere familiarissen van de abdij. Deze leken schonken hun bezittingen aan de abdij en kregen in ruil verdere materiële steun zolang ze leefden. Zo drastisch wil de nieuwe vriendenvereniging niet zijn.

 

De vriendenvereniging wil wel de werking en de uitstraling van het Abdijmuseum Ten Duinen 1138 in de ruimste zin ondersteunen. In samenwerking met het museum worden lezingen, uitstappen en meerdaagse reizen naar cisterciênzersites in binnen- en buitenland georganiseerd. Deze activiteiten passen ook voor een deel in de permanente bijscholingsactiviteiten die vanut het museum voor de gidsen worden voorzien.

 

Het lidgeld geeft ook recht op een exemplaar van het museumjaarboek. Lidmaatschap kan aangevraagd worden bij Familiares de Dunis vzw, p.a. Koninklijke Prinslaan 8, B-8670 Koksijde.

 

 


 

Meer informatie

 


 

ABDIJMUSEUM TEN DUINEN 1138

Koninklijke Prinslaan 8

8670 Koksijde

Tel. 058/53.39.50

Fax 058/51.0061

www.tenduinen.be

secretariaat@tenduinen.be

 

Toegang: 5 euro voor volwassenen, 3 euro voor kortinghouders en 1 euro voor jongeren onder de 18 jaar.

Gezinsticket: 10 euro.

 

Ingang via de A. Verbouwelaan

 

Openingsuren: elke dag van 10 tot 18 uur, op zondag van 14 tot 18 uur.

Gesloten op maandag, op Kerstdag, op Nieuwjaar en van 5 tot 18 januari.

 

Rondleidingen

Museumbezoeken voor groepen met gids kunnen aangevraagd worden in het Nederllands, frans, Duits, Engels en Spaans.

 

Educartieve werking:

Het Abdijmueusem heeft een eigen educatieve dienst die een aantal programma's aanbiedt, zoals de Abdijwegwijzer, programma dat meer inzicht biedt in de werking en de structuur van een abdijgemeenschap, speciaal voor derde graad lager onderwijs.

 

Zuid-Abdijmolen

De molen kan afzonderlijk bezocht worden;

De molen is elke dag te bezoeken tussen Pasen en eind september, in de voormiddag tussen 10 uur en 11.30 uur en 's namiddags tussen 16 uur en 17 uur.

Toegang 1 euro voor volwassenen, gratis voor kinderen jonger dan zeven jaar.

 


 

Auteursidentificatie:

Harry van Royen is historicus en contractueel wetenschappelijk medewerker van het abdijmudeum Ten Duinen 1138 te Koksijde.